Over stampvoetende confessionelen en de werking van woorden

Natuurlijk ben ook ik nieuwsgierig genoeg om te willen weten wie me op Twitter ontvolgt – en vooral waarom. Elke keer als ik weer twee of drie volgers zie wegsijpelen, vraag ik me af ‘wat ik nou weer verkeerd heb gezegd’. Een vreemde, narcistische reflex, omdat ik vaak juist wil provoceren. De pijn is overigens te verdragen. In elk geval meld ik me niet aan bij zo’n club, die voor mij het ontvolgpatroon bijhoudt. Ten eerste is dat nooit helemaal belangeloos. Ten tweede moet je aan de dienstverlener toestemming geven om je te hacken en via jouw account reclameberichten te versturen. Ga ik niet doen dus.

Deze week gaf echter voor het eerst iemand aan dat en waarom hij mensen als mij ging ontvolgen. Hij was de kritische tweets over de weigerambtenaren beu. Helder, denk ik dan. Begrijpelijk ook, want op een gegeven moment wordt het voor zo’n man natuurlijk vermoeiend, als het hem maar niet lukt om gelijk te krijgen in een discussie. Dan is weglopen wel zo relaxed. Alsmaar stampvoeten kost nu eenmaal energie.

De twitteraar in kwestie noemde de liberale discussie over de weigerambtenaar ook ‘symboolpolitiek’. Een argument dat merkwaardig detoneert in confessionele mond. Er wordt van deze zijde immers heel wat gepolitiseerd omwille van symbolen: van kruisbeelden en heilige boeken via koningshuizen tot de zelfbeschikking over het eigen domein. Begrijpelijk, want juist de religieuze traditie heeft oog voor de betekenis van symbolen. Daarom maken confessionelen zo’n punt van symbolen, zoals nota bene in dit verband het huwelijk. Symbolen doen er blijkbaar toe.

Natuurlijk: mijn protestantse discussieweigeraar bedoelt natuurlijk dat het gaat om een luxeprobleem. We hebben urgentere problemen, zegt hij velen na: de crisis bijvoorbeeld. Ook dat is een gehaaide manier om af te komen van de argumentatie. Van die truc bediende bijvoorbeeld Links zich tot in de jaren negentig, als je de mensenrechtensituatie in zonovergoten heilsstaten en linkse vakantieparadijzen aan de kaak stelde. Honger was erger en die wist men ginds toch aan te pakken? En die onderdrukte vrouwen in moslimgodsstaten konden toch hun hongerige kindjes voeden? (Dat je in de gevangenis kwam als je bij de regering aanbelde met de boodschap dat er toch nog honger was, is een ander verhaal.)

Maar krijgen we geen Noord-Koreaanse toestanden, met een beroepsverbod? – zo vroeg een andere conservatieve christen en weigerfan mij op Twitter. Natuurlijk, hij bedoelde de woordkeuze ‘slechts retorisch’, voegde hij er kalmerend aan toe. Ook weer zo naief: alsof het kwaad niet reeds is geschied, als men zich met suggestieve beelden opwerpt voor de ‘slachtoffers’. Zo min als er ‘slechts’ symboliek is, zo min bestaat er ‘slechts’ retoriek. De retoriek is juist het probleem. Door rechtse rederijkers bijvoorbeeld is de laatste jaren juist veel bitterheid gezaaid. Dat is harde realiteit; dat gaat verder dan ‘slechts een ongelukkige woordkeuze’. Juist aan woorden hebben we veel kwaad bloed te danken.

Het zou confessionelen sieren als ze blijk zouden geven van politieke en maatschappelijke rijpheid in deze. En overigens ook als ze zouden willen inzien dat ze vanuit dezelfde motieven, van waaruit ze het opnemen voor weigerambtenaren, een ‘beroepsverbod’ mogelijk maken in kerken en confessionele instellingen. Er is dankzij hen sprake van een heuse christelijke sharia. Het getuigt van verwend gedrag om dan ook nog te klagen over een vermeende heksenjacht. Maar dat bedoel ik allemaal natuurlijk slechts retorisch.

Geef een reactie