Wij bestaan uit duizend kleine dingen.

IM  Jules Schelvis (1921-2016)

Op 3 april overleed Jules Schelvis. Voortaan moeten we het op 4 mei doen zonder zijn geheugensteun. In de herdenkingsdagen luisterde ik vaak naar zijn verslag van de deportatie naar Sobibor, getiteld Er reed een trein naar Sobibor. De directheid van het persoonlijke getuigenis van een overlevende, gecombineerd met de krachtsinspanning die het hem kostte om zich de gruwelen steeds weer voor ogen te halen, maakte grote indruk. Bovendien was hier een man aan het woord, wiens geloof in de humaniteit niet was geknakt. De schoonheid van de muziek bijvoorbeeld was voor hem tijdens en na de Holocaust een houvast gebleven  – en niet ontmaskerd als een leugen. Bewust koos hij voor live uitgevoerde fragmenten uit de westerse klassieke muziek als ondersteuning van zijn voordracht.

Vooral de invalshoek van Er reed een trein naar Sobibor maakte het verhaal aangrijpend. Schelvis koos voor een minutieuze beschrijving van de reis die voorafging aan het ‘verblijf’ in het kamp. Niet pas in de kampen immers begonnen de ontering en ontmenselijking van de slachtoffers: deze kwamen reeds op gang bij de administratieve en logistieke operaties vooraf. Reeds de weg naar de vernietiging was verlagend en ontluisterend, in al zijn banale details: het instappen in de trein in Westerbork; het vechten om ruimte en het zoeken van een houding om te zitten; de worsteling om elementair gemak en decorumbehoud; het gevecht met honger en slaap; de irritaties tussen de inzittenden, inclusief spanningen in huwelijken; het verlies van kleine, maar dierbare bezittingen.

Gruwelen treden ook op – zo toonde Schelvis’ verhaal – in de vorm van inbreuken op dagelijkse waarden. Deze zijn immers de wezenlijke bouwstenen van ons leven. Zelfs ogenschijnlijke bijzaken (zoals in dit geval bijvoorbeeld een verzorgd uiterlijk en privacy bij het toiletbezoek) doen er toe, één voor één. Wij bestaan uit duizend ‘kleine dingen’. Het afbreken van een mens begint dan ook niet met een mediagenieke marteldood, maar met de vele kleine stappen daaraan voorafgaand. Ontmenselijking is gecontroleerde destructie. Dit doet ons ook beseffen dat vernedering en dehumanisering dagelijks op de loer liggen – en voor kwaad willenden binnen handbereik.

Wat geldt voor het afbreken van een mens, geldt ook voor het opbouwen. Schelvis’ voordracht was ook een eerbetoon aan de muziek: de belangrijkste bijzaak van het leven. Die had hij zich nooit laten afnemen. En hij kon deze schat bewaren op een plaats, die onbereikbaar was voor de bewakers en beulen die hem bij aankomst in Sobibor beroofden van zijn bezittingen en geliefden: in zijn geheugen, zijn hart, zijn hoofd, zijn mond. Neuriënd en fluitend hield hij de verbinding met de muziek levend. Dit droeg mede bij aan zijn veerkracht – of liever: aan zijn ongebroken waardigheid. Niet alleen het afbreken, maar ook het in stand houden of weer opbouwen van de humaniteit begint dus met ogenschijnlijke bijzaken, met zaken als kunst en schoonheid. Dit moet de intuïtie zijn geweest van Churchill toen hij, op voorstellen om drastisch op kunst te bezuinigen omdat men in de oorlog wel wat anders te doen had, reageerde met de woorden: ‘Waarvoor vechten we dan in godsnaam!?’ Jules Schelvis heeft in elk geval zijn leven lang gevochten: tegen de vergetelheid en voor de menselijkheid. Dat deed hij door met ons zijn afgrondelijke ervaringen te delen. En door ons naar Bach te laten luisteren.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling. Op 8 mei werkte ik elementen ervan uit in mijn preek voor de remonstrantse gemeente Eindhoven. De tekst hiervan vindt men hier: EC, preek RGE 8 mei.

 

 

 

Geef een reactie