Tastbare toekomst en duurzame herinnering

Het hoogtepunt van de week was voor mij niet de aankondiging van het aftreden van de koningin. De redding van SNS-Reaal wist evenmin diepe indruk op mij te maken. Merkwaardig vond ik vooral het op zich slechts anecdotische tafereel van de mensen, die de nieuwe klokken van de Notre Dame in Parijs verwelkomden. Wat mij vooral intrigeerde, was het beeld van de omstanders die de kloeke klokken aanraakten als waren het relieken. Een reliek waarvan? – zo vroeg ik me af. De klokken hebben immers geen eerbiedwaardige leeftijd; ze kunnen niet bogen op een rijk gevulde levensgeschiedenis. Ze vertegenwoordigen nog niet iets, wat door magische aanraking kan worden afgetapt.

Een van de aanraaksters gaf tegenover een journalist een verklaring voor haar indiscreet-eerbiedige gebaar: ‘Ik weet dat zij straks daarboven hangen!’ Het magische ritueel was blijkbaar een voorschot op de toekomstige positie en betekenis van de uit weerbarstig brons gegoten galmgatbewoners. Weldra hangen de klokken daarboven: onzichtbaar, geheimzinnig en onbereikbaar. Mettertijd zal echter iedereen die rondloopt door de straten van het Île de la Cité de bronzen klanken kennen en herkennen als vertrouwd en vertrouwenwekkend. De aanrakers en aanraaksters zullen ooit tegen hun kinderen en kindskinderen zeggen: ‘Hoor je dat? Deze immateriële klanken komen van iets materieels dat ergens daarboven hangt. En dat materiële heb ik ooit aangeraakt!’

Het is een soort omgekeerde reliekenverering dus, die klokkenaanraking, vergelijkbaar met het besef dat je ooit de hand hebt geschud van een idool of beroemdheid, toen deze nog een rijzend sterretje of een pas ontluikend wonderkind was. Het is de paradox van het aanraken van een glorierijke toekomst – en dat is misschien wel een sensationelere ervaring, dan het besef dat je een overblijfsel in handen houdt van iets of iemand met een roemrijk verleden. Niettemin is deze anticiperende reliekverering een zusje van de achterwaarts gerichte reliekverering.

***

Afgelopen zaterdag sprak ik met een groep vrienden en geestverwanten over het verschijnsel ‘herinneringsplaats’. We vatten dit begrip breed en inclusief op. We doelden ermee op een instituut, een persoon, een gebeurtenis, een materieel oord of ding, waaraan zich herinneringen hechten. Een dergelijk fenomeen krijgt een gloed en een glans dankzij de herinneringen en verhalen die eraan zijn gekoppeld. Het laadt zich daardoor op met zin en betekenis. Omgekeerd krijgt de herinnering iets materieels, tastbaars en duurzaams, door het feit dat zij zich kan hechten aan een ‘herinneringsplaats’.

Tegen deze achtergrond borrelde in mijn hoofd alsnog gemijmer op over de koningin en de SNS-bank.

Drieëndertig jaar geleden wilde het me maar niet lukken om iets te ‘voelen’ bij die anonieme ‘dochter-van’, die toentertijd als een relatief onbeschreven land de staatkundige geschiedenis van Nederland binnentrad. Nu kristalliseren zich rond deze vrouw – al was en is ze meestal even onbereikbaar en onzichtbaar als de klokken in de Notre Dame – tal van persoonlijke en met anderen gedeelde herinneringen. Ze was ‘mijn’ koningin in een beslissende fase van mijn leven. Het onbeschreven blad werd een projectiescherm waarin zich historische en biografische beelden hebben ingebrand. Beatrix is daarmee een onlosmakelijk aspect van mijn levensverhaal en van het verhaal van mijn generatie. Zij personifieert mijn, onze ‘narratieve identiteit’. Daardoor was het sobere toespraakje van de koningin ingrijpender dan ik aanvankelijk vermoedde.

Mij werd ook duidelijk dat de onrust en de spanning rond de bank-verzekeraar SNS-Reaal niet zijn uitgeput met de zenuwachtigheid van spaarders en beleggers. De opluchting over de ‘redding’ raakt méér dan alleen financiële belangen. De SNS-bank is ook een instituut waarmee zich het verhaal verbindt van een ingehouden vorm van idealisme; een instelling waaraan zich de herinnering hecht van progressieve bewegingen en hun leden, die aan het verschijnsel sparen een eigen kleur wilden geven; een herinneringsplaats die het zelfbeeld tastbaar maakt en ‘operationaliseert’ van idealistische spaarders en bankiers. De dreigende ondergang van SNS was in dat licht extra verontrustend en destabiliserend.

***

Verhaal, betekenis en identiteit: ze hechten zich aan materiële ‘herinneringsplaatsen’ en ontlenen daaraan hun duurzaamheid.  Concrete mensen, dingen en instituten zijn de geleiders en steunpunten van zin en zelfverstaan. Het zou een vorm van platoonse zelfoverschatting zijn, om te denken dat we zonder zouden kunnen.

Geef een reactie