Streepjescode

“En alles wat je naliet was een stapel oude boeken. En daarmee zit ik nu al jaren opgescheept. Ik sla er af en toe een open om er sporen in te zoeken. Soms is een zin door jou met potlood onderstreept.”

In de eerste maanden na het overlijden van mijn vader kon ik erg geraakt worden door het liedje Papa van Stef Bos, dat vertelt over de ambivalente verhouding die veel zonen tot hun vader hebben. Je wilt niet op je vader lijken, maar je betrapt jezelf erop dat dit meer het geval is dan je denkt. De vraag rijst natuurlijk, waarom het dan zo onwenselijk is.

Een min of meer klassiek antwoord is, dat je je als opgroeiende jongen nu eenmaal vroeg van je vader moet afzetten, om een zelfstandig individu te kunnen worden. Dit gevecht blijft vervolgens je leven lang de relatie tot je vader kleuren. Uiteraard leer je om daarboven te gaan staan. Dat is één van de opgaven van het volwassen worden.

Er is echter meer aan de hand. ‘Lijken op’ is ook een ultieme vorm van aanhankelijkheid en nabijheid. Wie in iemands voetsporen treedt, maakt op zeer intieme wijze contact. Het voelt als het aantrekken van andermans kleren. Het past echter niet zo bij mannen om voor deze aanhankelijkheid uit te komen. Over deze worsteling, deze innerlijke tweestrijd tussen intimiteit en afstand, gaat het lied van Bos. Tegelijk is het een liefdesverklaring, die al zingende de schroom voor de intimiteit overwint.

Eerlijk gezegd is Stef Bos’ crematoriumkraker me door het hoog ontboezemingsgehalte wat gaan tegenstaan. Het lied is erg rechtstreeks, exhibitionistisch en indiscreet. Het doorbreekt – om met Bonhoeffer te spreken – de ‘arcaandiscipline’ oftewel de discrete zwijgzaamheid die we jegens onze innerlijke geheimen in acht moeten nemen. Dit is uiteraard een kwestie van smaak. Zoals het ook een kwestie van (in mijn ogen goede) smaak is, dat je je geloof niet aan de grote klok hangt – al zet onze oprechtheidscultuur ons daartoe maar al te vaak het mes op de keel.

Vanwege mijn voorliefde voor de ‘arcaandiscipline’ ben ik een fan geworden van een concurrerend Nederlandstalig ‘vaderliedje’, namelijk Streepjescode van Kees Torn. Torn brengt op indirecte, discrete en fijngevoelige wijze de afstand onder woorden die bestaat tussen een vader en een zoon. Toegegeven: het gaat heel specifiek over een vader en een zoon die elkaar na een scheiding niet meer konden zien. Tegelijk heeft het lied iets universeels. Het drukt uit dat vaders en zonen, ja: mensen in het algemeen een raadsel zijn voor elkaar.

Nu kun je proberen om raadsels op te lossen. Kleine aanwijzingen kunnen daarbij helpen. In het liedje zijn die aanwijzingen er ook. De vader heeft in zijn nagelaten boeken zinnen onderstreept. De zoon probeert aan de hand van deze onderstrepingen indirect op het spoor te komen, wat er in zijn vader was omgegaan. Dit is een hachelijke onderneming. Zelfs als de zoon de ‘streepjescode’ kan kraken, blijft namelijk nog steeds de vraag bestaan of de strepen wel door de vader zijn gezet – bijvoorbeeld als de boeken eerst van iemand anders zijn geweest. Met die verontrustende open vraag eindigt het lied.

Mensen zijn raadsels voor elkaar, wellicht zelfs onoplosbare raadsels. Streepjescode drukt dit gegeven op een dermate indringende en verfijnde wijze uit, dat de betekenis ervan de menselijke relaties overstijgt. Het lied kan ook worden gezien als een parabel voor onze gelovige relatie met God. Ook en bij uitstek in die relatie zijn we aangewezen op zeer indirecte sporen en indicaties, verweerde woorden en symbolen, ‘klankresten van een oud verhaal’ (Oosterhuis), indicaties die we moeizaam kunnen ontcijferen – zonder dat we ooit helemaal kunnen uitsluiten dat deze poging een dood spoor is.

***

Deze tekst verscheen eerder op De Bezieling.

Geef een reactie