Red de Mattheus!

Met rituelen en tradities gaan wij Nederlanders enigszins stuntelig om. Vooral rituelen en tradities die voortkomen uit onze christelijke geschiedenis, hanteren wij op een halfslachtige wijze.

Neem nu de traditie om jaarlijks de Mattheuspassie van Bach uit te voeren en te beluisteren: het is een plechtig en groots aangepakt collectief ritornel, dat inmiddels is opgenomen in ons Nederlandse erfgoed. Alle ontkerkelijking ten spijt en ondanks de grote afstand die zelfs de meeste hedendaagse gelovigen scheidt van de smeuïg-godsdienstige leefwereld van Bach, is de religieuze zwerfkei BWV 244 tot onze canon gaan behoren. Dat wij Nederlanders gemoedelijk spreken over ‘De Mattheus’ – alsof het een oude oom is, die ieder jaar met Pasen kont logeren – spreekt boekdelen.

De moeder en het ijkpunt van al die mattheussen in den lande is natuurlijk de uitvoering op Palmzondag in het concertgebouw, die rechtstreeks door Radio Vier wordt uitgezonden. Het is voor mij altijd een rilmoment, als vroeg in de middag de eerste donkere tonen uit de radio klinken en die onheilspellende hartslag van de openingsdans mij naar de keel grijpt.

Een aantal jaren geleden meende men echter, te moeten gaan variëren. De Mattheuspassie werd eerst afgewisseld door die andere passie van Bach, ‘de Johannes’. En later is men ook passies van andere componisten gaan uitvoeren. Nu hoort bij ritueel en traditie natuurlijk ook variatie. Herhaling en afwisseling zijn de schering en de inslag in de reidans waarin de generaties hun erfgoed aan elkaar doorgeven. De marges van de afwisseling worden hier m.i. echter overschreden. Het is natuurlijk een kwestie van gevoel en rituele smaak, maar Bachs Mattheus heeft voor mij toch een zekere onaantastbaarheid. Het steeds weer opnieuw moeten interpreteren van ‘de’ Mattheus is volgens mij al een voldoende uitdaging voor de variatiekunst die we traditie noemen.

Overigens vond ik de keuze voor de dweperige, zijn geloof opdringende MacMillan in 2009 op zijn zachtst gezegd opmerkelijk. Enerzijds haasten bij elke aan- en afkondiging van Bach de presentatoren van Radio Vier zich, om in een bijzin te benadrukken dat het hun vooral om de kunst gaat en niet om de gelovige betekenis. Anderzijds programmeert men in ons secularisatieland doodgemoedereerd de muzikale straathoekevangelist uit Schotland. Bij de malle teksten van Bach kun je nog enigszins ‘schmunzeln’ – ook dat hoort bij traditie. De fanatiek-katholieke tijdgenoot MacMillan laat in zijn ernst en pathetiek daarvoor echter weinig ruimte.

Wie Bachs grootste passie ‘voor de verandering’ eens overslaat, heeft niet goed begrepen wat traditie is. Een vaag ritueel besef is er weliswaar nog volop. De meesten onder ons voelen aan dat bij Pasen Bach hoort of passiemuziek. Maar bij het horen luiden van de Paasklokken weet men kennelijk niet meer waar de klepel hangt. Dit wordt ook op extreme wijze duidelijk als – zoals onlangs – het Paasoratorium van Bach wordt uitgevoerd tijdens de Goede of Stille Week. ‘Als het maar Bach is,’ denkt men blijkbaar. Het omgekeerde gebeurt trouwens ook: Bachs passies worden her en der geprogrammeerd op Paaszondag. ‘Pasen is Pasen’, zo veronderstellen de organisatoren, met voorbijgaan aan de dramatische en dus ook esthetische tegenstelling tussen passie- en paastijd.

Zowel degenen die Bach vervangen door MacMillan of de Mattheus door een ander werk van Bach lijken te denken: ‘Verandering van spijs doet eten.’ Dat stugge herhaling ook een waarde in zich is – en zelfs de kern vormt van rituelen en tradities, ook culinaire –  lijkt men te vergeten.

***

PS: Dank aan de twitteraars die mij indirect op het idee brachten, om over het bovenstaande uit te weiden. EC.

Geef een reactie