Over lekker werken en heilig worden

Nou moet ik zeggen dat ik graag werk en werken per saldo leuk vind. Dat zeg ik niet alleen omdat ik als personeelsadviseur wel van werken moet houden (zoals een bakker zijn eigen brood aanprijst door het te eten). Nee, ik ben in mijn element als ik werk – zonder eraan te zijn verslaafd. Soms echter zwem je ook tegen bepaalde stromen in. Je moet weerstand overwinnen en moeilijke noten kraken. Dat ervaar ik bijvoorbeeld als ik mijn opdrachtgever als beleidsmedewerker moet ondersteunen bij een moeizaam veranderingsproces of als ik als personeelsfunctionaris mensen begeleid, die door ziekte op achterstand zijn gezet. Daar houd ik eerlijk gezegd best wel eens wat buikpijn van over. Ik maak dat niet mooier door het ‘uitdaging’ te noemen.

Nou, zo’n week was het wel een beetje. Hij eindigt echter in majeur. Met dank aan de collega’s en anderen, die je dan het gevoel geven dat je er niet alleen voor staat. Dat moet je ook willen zien, zeker als je van huis uit een solist bent die tegen beter weten in denkt, dat het sneller gaat als je het alleen probeert op te lossen.

Werken en je inzetten voor een goed leven: dat is dus soms zwemmen in een emmer met stroop (ik weet niet of u dat ooit heeft geprobeerd?). Maar iets in ons houdt ons drijvend , rotsvast gelovend in het doel en koersvast zwemmend in de richting van de overkant. Het is misschien toeval, maar er verschijnen de laatste tijd nogal wat publicaties daarover. Boeken over mensen die hun idealen hoog houden en eraan trouw zijn, juist door ze geduldig en – ja zelfs – pragmatisch te realiseren. Gabriël van den Brink schreef met anderen dat indrukwekkende rapport De Lage Landen en het hogere. Daarin laat hij zien dat zich door ons lage, nuchtere, geseculariseerde land traag rivieren bewegen in de richting van idealen, onder het overkoepelende uitspansel van ‘hogere waarden’ (de kitscherige beeldspraak is voor mijn rekening; eerlijk is eerlijk). Geen reden om cynisch te zijn over het egoïsme van Den Hedendaagschen Mensch, zegt Van den Brink. Mensen zetten zich graag in en werken graag: niet alleen (dat ook natuurlijk) voor geld of om van de straat te zijn, maar omdat ze het leven waardevol willen maken. Waardecreatie in de betere zin van het woord. (Maar die gedachte kennen we al van eerdere bundels als Beroepszeer en Beroepstrots. Googlet u anders eens op de zoektermen ‘normatieve professionaliteit’, een rotwoord, maar met een interessante lading.)

Van den Brink heeft voor de ongeduldigen ook een populaire samenvatting van zijn rapport gepubliceerd. Het heet Eigentijds Idealisme en brengt gewone, doorsnee idealisten in beeld (misschien af en toe te a-select en onkritisch, maar soit). Vandaag las ik een boekje, dat ongeveer het zelfde pretendeert. Twee remonstrantse predikanten, Bert Dicou en Sigrid Coenradie, publiceerden afgelopen maand Heilig. Gewoon nu. Ze portretteren hierin eveneens ‘gewone’ heiligen. Ik las het boekje uit op de treinreis naar mijn werk (met als gevolg dat ik voor de terugreis zonder lectuur zat). Dat leestempo had er, eerlijk gezegd, ook mee te maken dat ik het werkje wat voorspelbaar vond. Het is een portrettengalerij van door en door goede mensen, die we allemaal wel kennen, variërend van Frère Roger Schutz (Taizé inderdaad) via Moeder Teresa tot Nelson Mandela. (En de onbekenden zijn klonen van deze beroemdheden.) Deze selectie is enigszins een gemiste kans, omdat het vooral identificatiefiguren zijn van mijn generatie en de generatie boven mij. Zijn er de laatste dertig jaar geen nieuwe ‘heiligen’ bijgekomen? Mensen die een nieuw licht werpen op oude idealen? En vooral: zijn er geen ‘gewonere heiligen’? Naar mijn smaak is enkele jaren geleden Susan Neiman hierin beter geslaagd in haar ‘Morele Helderheid’. Wat Dicou en Coenradie met haar gemeen hebben, is wel de nuchtere kijk die ze hebben op heldhaftigheid en heiligheid, in die zin dat ook gezond realisme en pragmatisme hierbij horen. Als je idealen zuiver houdt, ben je een beetje als iemand die belegt in een Rembrandt en die het schilderij daarom in een kluis verstopt, in plaats van anderen ervan te laten genieten. De parabel van de talenten, zo iets.

Waar was ik gebleven? O ja, mijn werk. Nou, laat ik er dit nog van zeggen. Ik doe het met toewijding. Maar ik zeg ook tegen mezelf (en tegen de mensen die ik als werkcoach begeleid): werken IS niet het leven. Werken realiseert bepaalde waarden en wordt erdoor gedreven en geleid: maar het valt er niet mee samen. Werken is geen politiek utopisme, geen liefde, geen ethiek-in-de-praktijk. En dus is er gelukkig ook wel eens een vrije avond, een vrij weekend. Om andere mooie dingen te doen, mede dankzij het werk van anderen. Een mooi of leuk boek lezen, muziek beluisteren, lekker eten en drinken. Of uitslapen: ook wat waard. Dat soort dingen.

Tenslotte: de oplettende en ongeruste lezer(es) die zich afvraagt of ik me vandaag verveeld heb op de terugreis kan ik geruststellen (of van zijn/haar leedvermaak beroven, al naar gelang). Ik kocht dat boekje van Paulien Cornelissen (Taal zeg maar is echt mijn ding). U kent het vast al, maar ik ben vaak laat als het gaat om het ontdekken van bestsellers. Cornelissen zegt heel simpel een heel waar woord: taal zegt niet wat wij willen zeggen, maar wat wij zijn. En dat geldt natuurlijk ook voor ondergetekende.

Geef een reactie