Over helden en heiligen

Het is goed dat ze er zijn. Ja, ze zijn zelfs onmisbaar: die grote persoonlijkheden die we, al naar gelang onze levensbeschouwelijke achtergrond, kwalificeren als onze ‘helden’, ‘heiligen’ of ‘iconen’. Ze belichamen een ideaal, behoeden de mensheid voor pessimisme en cynisme en verbinden mensen met elkaar. Het gaat me echter wat ver als we op hen morele volmaaktheid projecteren – iets waarin vooral de katholieke traditie van canonisatie (heiligverklaring) sterk is.

Natuurlijk, de groten der aarde houden hun doel onvermoeibaar voor ogen en zijn koersvast – maar op hun weg hebben ze niet altijd oog voor datgene wat zij onder de voet lopen. En natuurlijk, ze leggen een buitengewone wilskracht aan de dag en offeren veel op – maar de keerzijde van een dergelijk ‘sterk karakter’ is veelal, dat het tevens van anderen offers vraagt – ook van anderen die daarover weinig in de melk hebben te brokkelen. Hierbij zie ik nog af van het feit, dat offers vaak worden terugbetaald in de vorm van satisfactie, zelfachting en bewondering. Onze helden onderwerpen zich aan een groots visioen – maar ambitie en zelfverwerkelijking zijn daaraan niet altijd vreemd.

Nogmaals: het is goed dat deze mensen er zijn, of ze nu Mandela heten of Wojtyła. Maar we durven vaak niet toe te geven dat achter het altruïsme, dat we op hen projecteren, ook vaak een groot ego schuilt, een gevoel van persoonlijke onmisbaarheid schuilgaat, alsmede de behoefte om een eigen stempel op de werkelijkheid te drukken.
Door dat egocentrisme onder ogen te zien, maken we onze heiligen en helden niet kleiner dan ze zijn en diskwalificeren we hen niet. Ik kan me immers geen mens voorstellen, die niet wordt geleid door zijn of haar behoefte gewicht in de schaal te leggen. We zijn allemaal zo oprecht om hartgrondig mee te brullen met Paul de Leeuw als hij zingt: ‘Ik heb een steen verlegd in een rivier op aarde’. Tenzij egocentrisme ontaardt in narcisme, is het een onontbeerlijke motor voor het streven naar en realiseren van eerbare doelen. Het doet ons boven onszelf uitstijgen.

Waar ik niet in kan meegaan is de verabsolutering van helden en heiligen, die hen oneindig verheven acht boven de mensheid en onvatbaar voor normale menselijke motieven – en die hun a priori morele superioriteit toekent omdat zij het goede bevorderen. Bovendien zien we door deze verabsolutering voorbij aan het feit, dat zij zichzelf en hun prestaties goeddeels te danken hebben aan anderen. Zij zijn te vergelijken met een topsporter of muzikale solist, die zich kan concentreren op haar of zijn eigen, veelal eendimensionale taak dankzij het feit dat anderen hen ‘begeleiden’ of op een bescheidener positie en buiten de schijnwerpers een complex samenspel van krachten coördineren waarvan de toppers deel uitmaken.

Het is niet erg dat mensen af en toe de show stelen. En het is ook niet erg dat wij het spel meespelen, waarin het lijkt alsof zij godenzonen en –dochters zijn. We hebben diva’s nodig. Dat hoort bij het ‘oprechte veinzen’ (Kellendonk) dat ons helpt om te geloven, te hopen en lief te hebben. Het is echter iets anders, om onze helden de hemel in te prijzen. Als er een hemel bestaat, zitten zij daar naast de backbenchers en stille krachten die altijd op de achtergrond zijn gebleven. En als zij zich daar nog zouden laten voorstaan op de grote ontberingen die zij zich hebben getroost, dan zouden de mindere goden hun respect en dankbaarheid uiten – maar ook tactvol zeggen dat iedereen, alle ontberingen ten spijt, in het ondermaanse reeds een groot deel van zijn loon heeft ontvangen.

Geef een reactie