Oud zeer, kwaad bloed en de vleugels van de vrijheid

Er bestaat zo iets als luxe-stress: jezelf laten opjagen door je voornemen om alles uit het leven te halen of (beter gezegd) erin te stoppen. Zo ontdekte ik rond de jaarwisseling tot mijn schrik dat 2012 het tweehonderdste geboortejaar is van Frederik de Grote. Als germanofiel (je kunt maar een aberratie hebben) moest ik natuurlijk ten minste één boek lezen over deze foute man, die het verstandsverduisterende voorbeeld is geweest van nog foutere mannen. Dus kocht ik zo’n boek en worstelde me de laatste maanden heen door slordig verlopen veldslagen en dynastieke burenruzies en familietwisten. Ik ben een langzame, ongeconcentreerde lezer, dus het was een race tegen de klok. Het boek moest immers uit voor het eind van het jaar. Anders telt het niet, toch?

Maar het lukte me deze week dan uiteindelijk toch om het boek dicht te slaan. Even tijd voor iets luchtigers dus, qua lectuur. Het aantal luchtige boekjes had zich inmiddels echter op ontmoedigende wijze opgestapeld. Bovenop ligt nu Religiestress van Tom Mikkers. Dit boekje verscheen dezer dagen. Door voorpublicaties wist ik er al iets van. Het thema leek me een schot in de roos. Ik ben werkzaam in de zingevingsbusiness, dus ik ken het fenomeen, waarover Mikkers schrijft, door en door. Door onze opvoeding en onze gezamenlijke Nederlandse geschiedenis is religie een angel in ons vlees en een gedeeld trauma. Religiestress is overigens allesbehalve een luxevariant van stress, want het gevecht met de religie is diep geworteld in onze persoonlijkheidsstructuur en ons ‘volkskarakter’. Of dat nu komt door onze socialisatie of door het feit dat religie ons menselijke noodlot is (zoals Eliade beweert in zijn onlangs opnieuw vertaalde Het religieuze en het dagelijks bestaan).

‘In de buurt van het gevaar groeit ook het geneeskrachtige kruid’ (Hölderlin) en waar trauma’s zijn komen ook de therapeuten als paddenstoelen uit de grond. In het geval van het collectieve religieuze trauma zijn dat politici die zich opwerpen als de antireligieuze Heiland. Over die personen (en hun erger-dan-de-kwaal-middelen) hoef ik in concreto niet uit te weiden (ja ja, met ‘ei’; ik heb het gecheckt). De voedingsbodem is echter een feit. Het feit dat we met zijn allen reageren als door een wesp gestoken, zodra de SGP een afgezaagd standpunt herhaalt, spreekt boekdelen. Dat gebeurde deze week voor de zoveelste keer. Een oude, zeventiende-eeuwse strijd vertoonde weer één van zijn vele stuiptrekkinkjes.

Merkwaardig genoeg stelt overigens nauwelijks iemand onthutst vast, dat de confessionelen in de huidige verkiezingscampagne een marginale rol spelen. Een lijsttrekkersdebat zonder een C-partij: dat is voor iemand van mijn generatie iets bizars. Misschien is er toch een keerpunt bereikt? Van Mierlo draait zich volgens mij van vreugde om in zijn graf: een stressfactor minder immers.

Enfin. Ik ga dat boekje van Mikkers nu dus lezen en zal t.z.t. melden of ook ik lijd aan religiestress. Ach, de uitkomst weet ik al: dat is zeker het geval. Ik doe wel stoer en ik demonstreer consequent een diepe afkeer van rancune en slachtoffergedrag. Ik heb echter ook mijn oud zeer en mijn kwaad bloed. Ik kan me erg opwinden over het bagatelliseren van de weigerambtenaarkwestie bijvoorbeeld. Omdat ik  – met vele anderen – in de katholieke kerk mijn beroep als theoloog niet volwaardig kan uitoefenen – om maar iets te noemen. En dan klaagt een gereformeerde ambtenaar uit Barneveld over een dreigend ‘beroepsverbod’? Kom toch. Of omdat ik het bijna beledigend vind, dat mensen door een beroep op ‘gewetensbezwaren’ mijn levenswijze in de zelfde categorie plaatsen als het doden van een medemens. U vindt dat ik zeur? OK, ik houd er nu echt over op.

Gelukkig is er een ruimte waarin ik me als theoloog kan ontplooien: de Remonstrantse Broederschap (die club van Tom Mikkers dus). Ik zal nooit een ‘remonstrants theoloog’ worden (zoals VolZin mij deze week noemde), maar ik ben wel ‘remonstrants’ (in elk geval in mijn vrije tijd) en nog steeds ‘theoloog’:  een ‘remonstrantse theoloog’ dus. Dat vind ik al mooi genoeg. En ik zal het, denk ik, ook wel blijven als er in de katholieke kerk ooit weer iemand opstaat als de dezer dagen overleden kardinaal Martini: de man die zich niet liet bang maken door de lieve buitenwereld (RIP).

Niet dat u nu gaat denken dat ik de remonstrantse gemeenschap zie als een warm bad of als een baarmoeder waarin ik kan schuilen. Integendeel: een vrijzinnige groepering is geen huis of een onderdak, maar een plek boven op een berg waar de koele wind vrij spel heeft en de zon onbelemmerd schijnt. (Dat beeld zal ik wel van Nietzsche hebben.) Ofwel – zoals G. Keller het onnavolgbaar formuleert – we koesteren ons niet onder de vleugels van de vrijheid, maar we bewegen ons op haar vleugels.

Mooi gezegd door Keller, toch? Hiermee vlieg ik de week weer in.

Geef een reactie