Op het tweede gezicht – over de onnodige polarisatie rond identiteitspolitiek

Wat zie ik als ik in de spiegel kijk? Ik zie mezelf, een unieke mens, wiens gelaatstrekken boekdelen spreken. Ik zie het geciseleerde landschap van huidplooien: de rimpelingen op het vlak van een stil water met diepe gronden. Signalen van onuitgesproken zielenroerselen. Ik zie het ondeelbare en niet uitwisselbare individu dat ik ben. Ik zie een gelaat dat zijn DNA en zijn ik-besef van de daken schreeuwt. Dat bovendien in alle vrijheid smoelen kan trekken en met zijn elastische lippen woorden kan vormen, waarbij ik straks de daden zal voegen. Ik ben ik. Ik ben vrij.

Op het tweede gezicht zie ik verontrustend genoeg ook de grote gemene deler. Zo word ik op mijn nummer gezet en wordt mijn ik van zijn troon gestoten. Ik zie de viervoeter. Ik zie de man. Ik zie de witte man, de Nederlander, wiens vader zeventig jaar geleden zijn dienstplicht moest vervullen in een vuile oorlog in het verre oosten. Ik zie de consument die op krediet leeft bij de planeet en bij medemensen aan de andere kant daarvan. Ik zie de katholieke theoloog en de spreker van een Germaans deltadialect, die niet anders kan dan denken in dat rare taaltje en wiens gedachten door dat taaltje zijn gestanst. Hoezo individu? Hoezo vrijheid?

Ik ben ik. Ik ben lid. Het is misschien wel allebei waar. Ik ben een onverwisselbare eenling met zijn zelfbewustzijn en zijn vrijheid, de kampioen van de westerse wijsbegeerte vanaf de renaissance. Ik ben echter ook een exemplaar van een soort, een groep, een exemplaar met een serienummer. Ik ben ook een voorbijganger, met een met anderen gedeelde geschiedenis achter en op de rug en met een daardoor grotendeels voorbestemde toekomst voor de boeg. Mijn speelruimte is beperkt.  

Ik leef in twee waarheden. Maar meer dan dat. Individualiteit enerzijds en lidmaatschap van een groep of soort anderzijds impliceren elkaar ook. Aan de ene kant zijn de coördinaten waarin ik ben geboren en getogen – ook de coördinaten van de verschillende groepen waartoe ik ‘intersectioneel’ behoor – voor ieder mens uniek en geven ze een heel eigen kleur aan mijn levensgeschiedenis, om maar een voorbeeld te noemen.  Aan de andere kant leeft een groep of gemeenschap van het feit, dat ze wordt gedragen, belichaamd en voortgeleefd in individuen. Zelfs de schuld die de geschiedenis van mijn land op mijn schouders legt kan ik alleen maar dragen, omdat ik een verantwoordelijk te stellen subject ben.

Ja, ik ben lid en deel van meerdere gehelen. Maar ik ga daar niet in op. Ik ben geen gevangene van de groep, de gemeenschap, de categorie waartoe ik hoor, maar ontstijg die ook. Ja, ik ben individu en onverwisselbaar subject. Maar wel een concreet ingebed subject. Ik leef niet in het luchtledige.  Het feit dat deze dubbelheid van het menselijk bestaan niet wordt erkend, is de oorzaak van de bittere strijd, die op dit moment wordt gevoerd tussen de identiteitspolitici enerzijds en de liberale individualisten, die hen bestrijden, anderzijds.

Identiteitsdenkers hanteren een reductionistisch en essentialistisch mensbeeld, waarin mensen restloos worden herleid tot hun groep, gemeenschap of categorie. De term intersectionaliteit lijkt het te nuanceren, maar geeft dit denken alleen maar een uiterlijke schijn van genuanceerdheid. In feite is het gewoon een manier van gewichtig doen.

De individualisten op hun beurt miskennen, dat een individu nooit op zichzelf staat. Al verhoud ik me reflexief, kritisch en afstandelijk tot de geschiedenis en de gemeenschap waarvan ik deel uitmaak – en transcendeer ik die daarmee dus tot op zekere hoogte: ik ben er, als individu, onlosmakelijk mee verweven. Alleen wie een abstract mensbeeld erop nahoudt, kan dit miskennen. En de individualisten kiezen blijkbaar daarvoor.

Kortom: geen individu zonder groep, geen groep zonder individu. Groepen zonder individuen zijn blind, individuen zonder groepen inhoudsloos. Wie in deze spanning kiest voor één van de polen, bestendigt en verhevigt de polarisatie in veel actuele discussies.

Geef een reactie