Onverschilligheid als remedie tegen de oververhitting

Het zal ooit wel een evolutionair voordeel hebben gehad: anders dan andere dieren winden wij ons op over het geestesleven van onze soortgenoten. Wij benaderen medemensen niet alleen als potentiële vijanden en rivalen, maar zijn ook als de dood voor hun dwalingen –  of die nu liggen op het gebied van het ware, het goede of het schone. Dat hun gedachten en gevoelens niet sporen met de onze, vinden wij onverteerbaar. In elk geval vergaat het mij zo. Ik kan me opvreten over – wat ik zie als – gedweep met musicals, blinde volgzaamheid jegens esoterische charlatans of overspannen polemiek in de zogenaamde zwartepietdiscussie.

Deze ergernis is natuurlijk onredelijk, maar ook ongezond. Het komt onze bloeddruk niet ten goede en onze sociale contacten evenmin. Zodra deze irritatie overslaan op het publieke debat, zijn de gevolgen nog groter. Ze leidt tot polarisatie, virtueel geweld, bedreigingen en soms reëel geweld. Dankzij de social media wordt één en ander extra opgeblazen en explosief. Waarom laat ik me hierin zo meeslepen, bijvoorbeeld bij de zwartepietdiscussie, vraag ik me dan af? Waarom erger ik me aan de argumenten van beide kanten? Waarom vind ik dat ik iets moet vinden van wat men vindt, hoe overtrokken en gezocht die mening ook mag zijn?

Het moge zo zijn dat de tegenpolen in de genoemde discussie de kwestie opblazen, door er onnodig van alles bij te halen en door een onnozel, op zichzelf staand fenomeen (“verklede man speelt mal typetje”) te voorzien van een bomgordel van ideologische context (enerzijds het met ons VOC-verleden verweven, alom tegenwoordig geachte racisme, anderzijds ons identiteitsbepalende, culturele erfgoed). De vraag blijft, waarom ik me toch zo veel aantrek van de discussie over iets, wat in mijn ogen een non-issue is. Ervaar ik – evolutietheoretisch uitgedrukt – de gedachten van anderen, als ze niet sporen met de mijne, als indringers? Is ons geestesleven inderdaad een soort territorium? Vechten we vijandschap en stammentwisten uit op mentaal vlak? Of is het juist omgekeerd zo, dat we anderen juist zo veel mogelijk willen beschouwen als onze familie en dat ze ons daarom meer schelen dan ons lief is? Zijn we van huis uit ‘verschilliger’ dan we denken?

Waar onze ergernis ook vandaan komt: we moeten volwassen ermee kunnen omgaan en er bóven kunnen staan. We moeten bereid zijn en blijven tot zindelijke discussies, tot gesprekken waarin we openstaan voor diverse gezichtspunten en degelijke argumenten inbrengen – en in elk geval in staat zijn om tot tien te tellen. De behoefte echter om iets te vinden van de ander, om de ander over te halen naar mijn kant of anders maar te verjagen van mijn mentale voortuin: deze aandrang zal altijd blijven smeulen – en soms oplaaien tot een onredelijke discussie.

Misschien kunnen we daar ook iets aan doen, door gewoon niet meer zo veel te willen vinden met en van elkaar. We zouden in elk geval bij irrelevante of – zoals de Duitsers zo mooi zeggen – ‘gegenstandslose’ kwesties (zoals Zwarte Piet) of bij kwesties van smaak (zoals de interne gebruiken van de Islam of welke religie dan ook) een schouderophalende tolerantie moeten ontwikkelen t.o.v. andermans geestelijke interieur. (Het zou uiteraard veel oefening vergen, want er zijn altijd mensen die ons chanteren door hun eigen issues hyper-relevant te verklaren.) We zouden op dit punt terug moeten keren naar een koel, verlicht liberalisme en zowel het vóórmoderne stammendenken als de ‘verschillige’ mens- en maatschappijvisies van de ‘zachtere’ maatschappelijke en politieke stromingen achter ons moeten laten.

Met andere woorden: Wat zou er tegen zijn als we, omwille van een vreedzaam samenleven en onze eigen gemoedsrust, gewoon wat meer onverschillig zouden zijn? Het maatschappelijk klimaat zou aangenaam afkoelen.

Geef een reactie