Het navelstaarlabyrint

Op de lange mars van de evolutie hebben wij mensen ergens iets verkeerds gegeten. We hebben verboden vruchten geplukt en van giftig fruit gegeten. Sindsdien zitten we opgezadeld met dat onzalige vermogen, dat we zelfbewustzijn noemen. Dit ‘vermogen’ (wat een eufemisme!) is ons noodlot.

Duitsers hebben voor ‘noodlot’ trouwens mooie equivalenten: Schicksal en Verhängnis. Deze woorden betekenen zoiets als: datgene wat hogere machten voor ons hebben beschikt, de loer die de schikgodinnen ons hebben gedraaid.

In die zin is ook het ‘ontwaken’ van het zelfbewustzijn en de reflectie een trauma. (Daarbij is het woord ‘ontwaken’ overigens eveneens een eufemisme. Er is immers sprake van een hardhandig wakker worden geschud.) We vallen niet meer dromend met ons zelf samen, maar zijn ‘entzweit’ en staan oog in oog met ons zelf.  We kunnen niet meer voor ons uit dommelen als een grazende koe, maar zijn onze zalige onwetendheid en onze onschuld kwijt. Het ‘geschenk’ van het zelfbewustzijn is een kat in de zak.

Niet alleen mythologische verhalen (zoals het Bijbelse paradijsverhaal), maar ook de grote filosofen duiden en ontleden de heilloze ‘schikking’, die ons heeft gedoemd tot reflectie en die ons tot droefgeestige narcisten heeft gemaakt. We kijken in de spiegel en we weten onherroepelijk te veel – want we zien via de spiegel ook onze sterfelijkheid en onze tekorten onder ogen. Als een splinter zijn wij in ons eigen vlees gestoken en we hebben knap veel last van de parasiet die we voor onszelf zijn. Kortom: we liggen met onszelf overhoop. Dat vertellen deze verhalen en deze wijsgeren.

Ze vertellen ook dat het een kansloze onderneming is, als we proberen terug te keren tot het zalige onbewuste bestaan van een foetus in het vruchtwater. We zullen ons lot onder ogen moeten zien en omarmen. Daar helpt geen moedertje lief aan – ook niet als dat moedertje lief de gedaante aanneemt van een infantiliserend soort religiositeit.

***

Ik zie het inderdaad allemaal groot, zoals u terecht opmerkt. En in dit overweldigende perspectief plaats ik ook de sociologische waarneming, dat het narcisme onze cultuur beheerst. Het collectieve narcisme is onszelf helemaal niet kwalijk te nemen – juist omdat het onze ongeneeslijke erfelijke belasting is. Het is dus ook alles behalve nieuw. Eerder kun je zeggen dat het narcisme te onzent minder een luxeproduct is dan ooit en elders.

Tot pakweg 1950 was reflectie en ‘met jezelf bezig zijn’ een privilege van de hogere standen. Een voorrecht van hen die veel tijd over hadden en die geletterd genoeg waren om woorden te geven aan het gewroet in zichzelf. De rest had het te druk en hield noodgedwongen zijn mond – al zal het diep van binnen hebben gevreten en geknaagd.

Sindsdien is het in onze cultuur echter in toenemende mate gemeengoed geworden om ‘over jezelf na te denken’. Met als gevolg dat ieder van ons wel eens op de sofa ligt, gedichten schrijft of een weblog bijhoudt. Én dat iedere opleiding tegenwoordig voor de helft uit ‘zelfreflectie’ bestaat. We zitten allemaal gevangen in het navelstaarlabyrint.

***

Dat het ‘bezig zijn met jezelf’ en je ‘ontwikkeling’ niet zo nieuw is, realiseerde ik me weer toen ik dit najaar Nachsommer las van Adelbert Stifter (1805-1868). Naast Goethes Wilhelm Meister, Kellers Grüne Heinrich (en veel andere dikke Duitse boeken) is Nachsommer een zogenaamde Bildungsroman (‘vormingsroman’). Er wordt in dit genre heel wat ‘gewerkt aan zichzelf’: veelal door ontluikende jongemannen, die hun jeugd doorbrengen met fijn besnaarde, helaas te jong stervende meisjes, met foute vrienden – en vooral met wijze, oudere mannen die hen op hun beurt waarschuwen voor de genoemde foute vrienden.

Ik heb we dit jaar in dit genre verdiept, omdat ik vanaf januari een reeks bijeenkomsten houdt rond Der Zauberberg van oppernarcist Thomas Mann. Mann plaatste zijn boek bewust in de traditie van de Bildungsroman: als eerbetoon en als parodie. De hoofdpersoon van De Toverberg is overigens ook een karikatuur van de moderne verwende snuiter die tijd te over heeft om met zichzelf bezig te zijn.

Goethe en Stifter buigen in hun romans het narcisme overigens om in een positieve richting. De ontwikkelingsgang van de hoofdpersonen is er ook en vooral op gericht, dat zij zich schikken – niet alleen in het menselijke noodlot, maar ook en vooral – in de bindingen en verplichtingen die het bestaan ons cadeau geeft.

Bij Goethe is het sleutelwoord daarvoor Entsagung (zoiets als ‘berustende zelfverloochening’). En bij Stifter is de grote opdracht erin gelegen, zich te voegen in de wetmatigheden van de tijd en in de structuren van werk en gezin. Een mens komt pas tot zijn recht, als hij zich plooit naar zijn verantwoordelijkheden, aldus Goethe en Stifter. In navolging van hen wijst zelfs de egotripper Thomas Mann de hoofdpersoon van de De Toverberg de weg uit het navelstaarlabyrint. (Daarop kom ik zeker nog terug.)

Of er hiermee een rustige thuishaven is voor het onrustige zelfbewustzijn? In elk geval iets waaraan het – om met Stifter te spreken –  ‘eenvoud, houvast en betekenis’ ontleent.

Geef een reactie