Nabijheid

Wij zitten onherroepelijk opgesloten in ons vel. We kunnen nog zo vaak beweren en bezweren dat er ook zo iets is als collectieve identiteit en geschiedenis, gemeenschappelijk lot en lijden: uiteindelijk is het bewustzijn altijd een kortsluiting met mijzelf. Dus ook al wat door dat bewustzijn wordt behelsd – van weten tot voelen, van trots tot gekwetstheid – is onze eigen last en lust. Onze huid is de zwaar bewaakte grens tussen ons en de buitenwereld.

Uiteraard hebben we daarnaast de bijzondere gave om ons te verplaatsen in anderen, vooral bij het lijden. Tot op zekere hoogte kunnen we dat lijden delen. In populair-wetenschappelijke tijdschriften vertellen neurologen dat deze ‘telepathie’ dezelfde hersengebieden aanspreekt als onze eigen gevoelens. Niettemin blijft er sprake van dubbelheid. Wie zich verplaatst in de ander, wordt nooit identiek met haar of hem. Het mee-beleven gaat steeds gepaard met het besef dat ik de ander van de ander ben. Meebeleefde pijn is niet hetzelfde als eigen pijn. Er is een grens aan de éénwording.

Het spreekwoordelijke wanhopige gevoel van onmacht – omdat we niets kunnen doen voor de ander of zijn of haar lijden niet kunnen overnemen – getuigt van deze afgescheidenheid. Er gaapt een kloof tussen het rijk van andermans lijden en het rijk van mijn eigen gevoelens. De voortdurende inzet om die te overbruggen – of deze zich nu uit in spontane opwellingen of de kloeke roepstem van het geweten – bevestigt slechts het blijvende bestaan van de afstand.

Overigens hebben medelijden en nabijheid op hun beurt een knagend geweten. Pogingen om het lijden van de ander te verzachten kunnen worden ervaren als hoogmoedig en bemoeiziek. Medelijden kan doorslaan in een activisme dat opdringerig wordt en indiscreet. We lijken dan op die overgedienstige kelner die om de vijf minuten komt vragen of alles naar wens is. Medelijden en nabijheid stuiten op een grens als ze willen binnendringen in het rijk van de ander. Dat voelen we zelf – en dat voelt de ander die onze impertinente liefde afwijst.

We reageren dan met verongelijkt zelfmedelijden en slaan een beschuldigende toon aan tegen degene die ons de deur wijst. Beter is het om te berusten en om ons te beperken tot indirecte en discrete uitingen van nabijheid. Je laat bijvoorbeeld je zieke of rouwende moeder even alleen als ze opstandig wordt. Je gaat boodschappen voor haar doen of haar ramen lappen. Misschien doe je dit knarsetandend. Prozaïsche gebaren kunnen echter worden tot symbolen van nabijheid: discrete groeten vanaf de andere kant van de kloof. Dat geldt ook voor ogenschijnlijk gemakzuchtige woorden als ‘Ik zal aan je denken’ of ‘Ik zal een kaarsje voor je opsteken’.

ensor web

 

Hoe waren de laatste dagen van de moeder van James Ensor (1860-1949)? Op het schilderij van zijn overleden moeder (1915) staan de medicijnflessen netjes in het gelid, uitgediend en klaar om te worden opgehaald. Zo te zien is er van alles geprobeerd om haar sterven tegen te houden of te verlichten. Was dat overkill – of een teken van toewijding? En wat betekent dat Mariabeeld? Werd ze afgescheept met goedkope troost – of was het beeld van de Mater Dolorosa een zwijgend teken van solidariteit? Men heeft haar lijden niet weg kunnen nemen en ze is alleen de laatste weg gegaan, maar de artsen, de verpleegkundigen en de zoon lijken te hebben gedaan wat ze konden.

En als ik de groene fles zo mag duiden, die fier uitrijst boven en afsteekt tegen de streng ogende medicijnflessen, dan is haar een laatste slokje wijn gegund. Een knipoog naar de gedeelde liefde voor het zo kwetsbare leven. Een sober, maar welsprekend en veelzeggend gebaar van eindeloze liefde.

 

 

Deze tekst verscheen eerder op De Bezieling.

Geef een reactie