Muziek viert zichzelf.

Het is een staaltje van deftige, Nederlandse folklore.

In een praatprogramma op de televisie komt een BN-er vertellen, dat hij of zij een bewonderaar is van Bach. Dit gebeurt veelal in de tijd rond Pasen. Meestal zijn in het hetzelfde programma nog andere, nog beroemdere Bachminnende BN-ers aanwezig – Paul Witteman bijvoorbeeld – om als éénoog-in-het-land-der-blinden hun duit in het zakje te doen. Ook komt het wel voor dat de betreffende BN-er op Radio Vier in de gelegenheid wordt gesteld, om iets over zijn of haar ‘passie’ voor Bach te vertellen in het kader van een ultrakorte ‘rubriek’ waarvan hij of zij heel even de gastpresentator mag zijn.

Belangrijk voor het slagen van dit mediale optreden is, is dat ‘je het van deze persoon nooit zou hebben verwacht’. Hij of zij moet een stil water zijn, waarin nu plotseling diepe muzikale gronden zichtbaar worden, of juist een luidruchtige ruwe bolster, waarin deze blanke pit der Bachliefde schuilgaat.

De typisch Nederlandse folklore bestaat er nu in, dat de genoemde Bachminnaar, voordat hij of zij van wal steekt, de kijkers of luisteraars op het hart drukt dat hij weliswaar van Bach houdt, ‘maar zeker niet gelovig is’. Dat moet er met nadruk bij worden gezegd, omdat de tophits van de Thomascantor uit Leipzig vrijwel altijd afkomstig zijn uit een passie, een cantate of mis. En je kunt dan wel in vervoering raken door de muziek: de tekst eronder krijg je natuurlijk als BN-er niet over de lippen. Dat voorbehoud moet dan uitdrukkelijk op de mondelinge bijsluiter worden vermeld.

Hoewel ik verzot ben op rituelen als ‘nobele verveling’, is het hierboven beschreven ritueel mij gaan tegenstaan. Het informatieve gehalte van de bezwering is gering. In elk geval is het geen antwoord op een vraag die bij mij leeft, zodra de BN-er in beeld komt of haar stem verheft. Ik vind het ook nogal irrelevant. Als iemand zichzelf ‘out’ als liefhebber van Couperus of Reve, ben ik ook niet geneigd me af te vragen of hij latente homoseksuele gevoelens koestert. Mij interesseren kwesties als smaak, stilistische voorkeuren en muzikale inzichten. In dit geval echter word ik lastig gevallen met too much information. Ik heb niet gevraagd naar de gelovige identiteit van de spreker – en heb daar ook niets mee te maken, zomin als ik dat heb met iemands seksuele voorkeur.

Ik vind het bovendien jammer dat mensen zich ongevraagd menen te moeten verontschuldigen, zodra ze in het openbaar in verband worden gebracht met cultuuruitingen die zijn ontstaan in een religieus milieu, of – erger nog – dat Bach zelf indirect moet worden verontschuldigd voor het feit dat hij religieus was. Gelovigheid lijkt een verdenking, waarvan je je moet vrijwaren. Als je gelovig bent is dat blijkbaar zo abject of barbaars, dat het niet eens in aanmerking komt als een guilty pleasure – tenzij voor dat handjevol BN-ers die van de weeromstuit het geloof ‘herontdekken’ als iets chics, als een statusverhogend retro-object. Waarom maken we er niet gewoon een kwestie van smaak van? Dat hebben we toch inmiddels ook gedaan met seksuele voorkeuren, om dezelfde vergelijking nog eens te maken?

Uiteraard is Bach een gelovig componist. Nog nauwkeuriger gezegd: zijn muziek is gelovige muziek. De beroepsdistantieerders hebben echter eventueel gelijk, als ze met hun voorbehoud bedoelen dat Bach geen exclusief eigendom is van een bepaalde gezindte. Als ik het heb over gelovige muziek, bedoel ik ook iets anders dan het religieuze geloof dat door de vaak drakerige lutherse teksten wordt gearticuleerd, die Bach gebruikte. Bachs muziek gaat niet over die teksten, maar over zichzelf. Zij gelooft niet in een of andere belijdenisinhoud, maar in zichzelf. Zij verwijst naar zichzelf als iets wat onze realiteit verrijkt en verheft, overstijgt en opent. Zij is haar eigen transcendentie en raakt in vervoering daarvan. Bachs muziek – zoals iedere goede muziek – viert zichzelf. En zo wekt zij ons geloof – in haarzelf.

Geef een reactie