Misschien bestaat de volmaakte samenleving niet eens.

Vroeger was alles beter. Of in elk geval vriendelijker. De lezeressen en lezers die – net als ik – ook vroeger hebben geleefd zullen dit beamen. Vroeger zat als gegoten. Het zat als een warme wintertrui. Soms kriebelde het wat, maar het was al met al behaaglijk, dat vroeger.

Een van de mooie dingen van vroeger was het woord vertrouwen. Je vertrouwde blindelings op instituties en functionarissen. Je had niet de behoefte om alles na te trekken wat ze uitspookten. Ze vormden de ankers van onze samenleving, de axioma’s van de som van ons bestaan. Je had in keurig driedelig grijs gestoken mannen, die stuk voor stuk geknipt waren voor de rol van burgemeester in Swiebertje: ministers, rechters, notarissen, professoren.

Toen kwamen de Armanipakken – en hun vrouwelijk pendant. Het tempo van onze samenleving versnelde. Het neoliberalisme maakte zich meester van onze instituties. Ook de (semi-)publieke sector gooide de ankers los. Hele systemen of onderdelen daarvan werden losgekoppeld of gefuseerd, geprivatiseerd en onderworpen aan – zoals het paradoxaal heette – de ‘tucht van de vrije markt’. Dat speelde zich vooral af in de jaren negentig. Ook dat is inmiddels vroeger. Natuurlijk: het is een vroeger van recentere datum. Maar vroeger is vroeger.

De schaalvergroting en de liberalisering maakten alles onoverzichtelijker. Bovendien wilden we weten wat er met ons geld gebeurde. Zo ontstond er een meer uitdrukkelijk neiging tot controle. Alles moest ‘transparant’ worden gemaakt. Bijvoorbeeld in zorg en onderwijs. De door velen verfoeide papierwinkel kwam op. Critici maakten hiervan graag een karikatuur. Ze maakten de kachel aan met deze papierwinkel en bij dit behaaglijke haardvuur vertelden ze verhalen over het Vroegere Vroeger, toen we nog minder controle hadden en meer vertrouwen in elkaar.

Soms hadden de criticasters toch wel gelijk. Doordat we verpleegkundigen, agenten, leraren etc. (en natuurlijk ook hun bestuurders) voortdurend en op gestandaardiseerde wijze om rekenschap vroegen, ging hun arbeidstijd grotendeels op aan rapportage. Gevangen in hun transparante glazen huis, verkrampten en verstrakten ze. Ze verrichtten hun werk gespannen, stroef en futloos.

Begrijpelijkerwijs  kwam daarom rond de eeuwwisseling in de organisatiekunde het woord vertrouwen als aansturingsbeginsel weer op – vooral in christelijk-sociale kring. Professionals, bestuurders en overheden moesten – zo luidde het credo – kunnen werken met een voorschot van vertrouwen, met een sociaal krediet. Ze zouden dan vanzelf dat vertrouwen belonen en terugverdienen door betrouwbaarheid. Het zou immers hun eer te na zijn, om er slordig mee om te gaan. Lang heb ik daarin geloofd. En ik wil nog steeds geloven dat vertrouwen de ‘smeerolie’ is van de samenleving.

In het afgelopen jaar is dat geloof wel danig op de proef gesteld. Ik zie het jaaroverzicht van 2012 al voor me. 2013 is een slagveld van lege voetstukken. Rechters verschijnen voor de rechter. Om notarissen in de onroerend-goed-sector hangt soms een louche luchtje. Hoogleraren zuigen dingen uit hun duim. Bestuurders in overheid en publieke sector halen – verblind door de macht – rare streken uit. Bij sportmensen en topadvocaten stijgt de roem naar het hoofd. Bewindslieden treden af vanwege de rommel in de bonnetjes-la van hun bureau. En de beroepsmatige op-het-matje-roepers en op-de-vinger-tikkers (zoals inspecties, toezichtorganen en accountants) moeten op hun beurt op de vingers worden getikt omdat ze werken met beslagen brillenglazen.

Moeten we dan toch terug naar een gezond ‘georganiseerd wantrouwen’ en naar grotere alertheid? Of vergroten we de incidenten en ‘rotte appels’ te veel uit? Zijn we overgevoelig en intolerant geworden, zodat we ook de spaanders die we tot voor kort nog met de mantel der liefde bedekten, niet meer door de vingers zien? Het lijkt er echter op, dat de deconfiture van de alfamannetjes niet in de eerste plaats een kwestie is van meer of minder controle of vertrouwen.  Er is iets anders aan de hand. We laten ons wellicht te veel intimideren door grote mannen met een overweldigende ‘span of control’ (cfr. de ‘duizenden’ clïenten van Moszkowicz). Het kleine en kleinschalige is misschien toe aan een herwaardering. Het is immers vaak juist onder druk van onze hoog gestemde verwachtingen dat de ‘grote jongens’ hun hand overspelen. Kwantiteit gaat dan ten koste van kwaliteit, zorgvuldigheid en ethiek.

Ik ben wel op mijn hoede voor de mystificaties van de kleinschaligheidsfans. Want ik heb te veel kleine organisaties in zorg en onderwijs gekend, waarin kleine potentaten meer kwaad deden dan goed – waarin de dorpspolitiek het personeelsbeleid bepaalde bijvoorbeeld. Niets is zo verstikkend dan een gesloten locaal systeem. Zo’n systeem is dan misschien geen glazen huis en geen prooi voor megalomane Armanimannen, maar wel vaak een dichtgetimmerd schuurtje.

Ik ben er niet uit. Misschien bestaat de volmaakte samenleving toch niet. Nou ja: bij Swiebertje of in Star Trek. Maar daar woon ik niet.

Geef een reactie