Laten we stoppen met stoken in ons gedeelde verleden.

We zaten er natuurlijk op te wachten. Nadat vorig jaar alle aandacht was uitgegaan naar de bevolking van Groningen, die zuchtte onder de gevolgen van jarenlange gasboringen, moest vroeg of laat het Klaagvolk der Limburgers zich melden. Dat deden ze dan ook afgelopen week door herstelbetalingen te eisen voor de mijnschade.

‘Huh? Mijnschade?’

Inderdaad.  Zelfs de meeste Limburgers moeten tegenwoordig op Wikipedia opzoeken wat mijnen überhaupt wáren. Ze zijn immers geboren en/of opgegroeid in de tijd dat Limburg op de schoot van dat verfoeide Den Haag zat en met verholen gretigheid bovenrivierse flesvoeding binnenslurpte. Als ze echter ergens anders de schuld en de rekening kunnen neerleggen, dan zijn Limburgers snelle leerlingen in de geschiedenisles. Als een Limburger wordt  geboren staat er aan de wieg immers altijd een fee die de bezwerende woorden uitspreekt: “Wat jou ooit ook overkomt: de anderen zijn daarvoor verantwoordelijk.”  (Als Limburger heb ik helaas recht van spreken.)

Het dreigt echter een Nederlands of Westers probleem te worden: deze neiging om rekeningen te willen vereffenen als ons iets is overkomen en als we schade lijden. Iemand moet boeten en bloeden als we schade lijden. Dit lijkt een rationele reactie: de meeste schade waarover mensen klagen is immers het gevolg is van menselijk handelen, i.c. economische bedrijvigheid door burgers en ondernemingen en het daarvoor scheppen van infrastructurele voorwaarden door de overheid. We hebben er last van als de grond onder voeten wordt weg geboord, als er ongewenste stoffen in de atmosfeer raken, als er verkeersinfarcten ontstaan, als dijken op bezwijken staan, als het grondwater te hoog staat, als een handelsakkoord faalt enzovoorts.

Niettemin kunnen we niet genoeg worden herinnerd aan de gemeenplaats dat onze economie, inclusief de rol die de overheid daarin speelt, een complex samenspel is met een autonome dynamiek en gekenmerkt door dilemma’s. Daardoor is het stellen van schuldvragen een vrij kinderlijk zwaktebod. Zelfs na de bankencrisis, toen we zo goed wisten wie de boosdoeners waren, bleken de verwevenheid en de versplintering van de verantwoordelijkheid toch groter dan we dachten.

Tenzij we kiezen voor het alternatief van een Morgenthauplan, een de-industrialisering en ontmodernisering van onze samenleving – iets waarvoor ieder realistisch en aan een rijk gevulde koelkast gewend mens terugdeinst – moeten we ermee leven dat onze economie een complex en autonoom systeem is met onvermijdelijke risico’s en voorspelbare gevolgen. Dat is geen fatalisme, maar juist het besef dat we ons noodlot zelf hebben geschapen en dagelijks herscheppen (om er ook de vruchten van te plukken).

Misschien kunnen we echter gewoon niet leven met de onverdraaglijke gedachte dat de wereld weliswaar door ons is gemaakt maar niet volledig beheersbaar is, dat we het monster der onmaakbaarheid hebben voortgebracht. Of wellicht hebben we een infantiel magisch wereldbeeld, waarin er achter de dingen die gebeuren altijd exact te lokaliseren opzet – en vooral kwade opzet – schuilgaat. Of misschien zijn we gewoon te gemakzuchtig om de verantwoordelijkheid voor het verleden te dragen en te lui om die voor de toekomst manmoedig op ons te nemen. Hoe dan ook: iemand moet hangen voor wat ons overkomt.

***

De hooivorkpetitie van de Limburgers is echter meer dan een aanleiding voor dergelijke cultuurfilosofische bespiegelingen. Het is ook verontrustend om feitelijke redenen. We hebben in Nederland (om ons nu even tot deze inmiddels achterhaalde schaal te beperken) nu eenmaal een economie met een historisch en organisch gegroeide arbeidsverdeling. Iedere regio of stad heeft accenten en soms zelfs monoculturen op economisch gebied. En elke economische bedrijvigheid en lucrativiteit gaat ten koste van iets en levert risico’s en kosten op. Deze zijn verschillend qua aard en intensiteit – maar altijd aanwezig. De kost gaat voor de baat uit. Daarbij komen dan nog de internationale verwevenheden en afhankelijkheden – zoals blijkt uit de pingpongboycot met Rusland.

Tegen deze achtergrond kan de schadevergoedingscultuur tot absurde consequenties leiden. Wie draait straks op voor de gevolgen die de Russische boycot heeft voor streken met een oververtegenwoordiging van tuinders? De minister van Buitenlandse Zaken? En gaan bewoners van de grote steden straks bij overheid, industrie en logistiek claims neerleggen voor de gevolgen van urbanisatie – de opkomst van ISIS in de oude wijken incluis? En wat hebben de bewoners van het leeglopende en verschralende platteland in petto? En als je, zoals ik, in een geestdodend saaie regio woont en werkt? Wie betaalt mijn compensatiealcohol? Moet er dan maar niet meteen een schadefonds worden gevormd ter grootte van ons BNP, om ons collectief in te dekken voor de gevolgen van onze economie tout court?

Het zal zo’n vaart toch niet lopen? Ik ben daarop niet gerust. Op individueel niveau begint de schadeclaimcultuur al woekertendensen te vertonen , met als gevolg dat straks bijvoorbeeld niemand meer arts durft te worden of achter het stuur van zijn of haar auto durft te gaan zitten. Gaan we deze reactieve en verlammende tendens nu ook op collectief niveau doorzetten? Of gaan we beseffen dat we in de eerste plaats proactief verantwoordelijk zijn voor een welvarende, rechtvaardige en veilige samenleving? Dit is vooral een toekomstgerichte uitdaging aan productieve, opbouwende en creatieve krachten.

Laten we rechtsomkeert maken. Laten ermee stoppen risicomijdend door het leven te sluipen en op elkaars tellen te passen.Laten we ermee ophouden te stoken in onze gedeelde verledens. We doen onszelf te kort en sluiten onszelf uit van kansrijke ontwikkelingen.

Geef een reactie