Laten we de paus niet onderschatten

Als ik paus was, zou ik beter op mijn woorden letten. Je zit als opvolger van Petrus immers niet alleen in een futuristische glazen auto, maar ook permanent in een glazen huis. (Dat is geen privilege van fundraisende diskjockeys.) Alles wat je als paus doet of zegt, wordt uitvergroot en versterkt waargenomen. Op elke slak wordt zout gelegd. De huidige paus is echter in de wieg gelegd als wetenschapper. Hij is een man van de inhoud en de redenatie. Daardoor realiseert hij zich vaak onvoldoende, dat spreken in het openbaar tact vereist en gevoel voor de samenhang waarin een uitspraak wordt gedaan. Het gaat daarbij om de context van de actualiteit, de context van de positie van waaruit je spreekt, de context van de media-realiteit en de context van datgene wat je zelf allemaal eerder hebt gezegd.

Meteen aan het begin van zijn Petrinische loopbaan – in 2006 – ging Benedictus op deze manier de fout in. Het was met zijn Regensburger lezing. In het kader van een academisch, historisch betoog deed hij feitelijke uitspraken, die konden worden opgevat als een directe aanval op de islam – terwijl hij die kritiek hooguit indirect leverde aan de hand van slechts exemplarisch bedoelde citaten. Dat was uiteraard koren op de molen van bevolkingsgroepen die klok en klepel niet kunnen onderscheiden en die bij het minste of geringste in hun wiek zijn geschoten. Hem was het zelfde lot beschoren als Philipp Jenninger, die op 10 november 1988 in het Duitse parlement ook even vergat dat je aanhalingstekens nu eenmaal niet kunt horen en dat een politiek podium nu eenmaal geen collegezaal is – met als gevolg boegeroep en zaalverlaters.

Als je gevoel voor de context je in de steek laat, is verontwaardiging vaak je deel. Je kunt in minder ernstige gevallen ook milde hilariteit oproepen of meewarige en sarcastische reacties. Dat gebeurde na het verschijnen van het meest recente Jezusboek van paus Ratzinger, waarin hij, netjes kleurend binnen de historisch-kritische lijntjes, onze kerststal leek te willen ontluisteren. Dat de paus er als geboren kamergeleerde een tweede bestaan als boekenschrijver op nahoudt om het proza van het bestuurlijke bestaan te compenseren en dat hij in zijn boeken uitspraken doet die niet dezelfde pretentie hebben als de uitspraken die hij doet in zijn rol als zielenherder en als bestuurder: dat alles laten onwelwillende waarnemers zich maar al te graag ontgaan. Ze  doen of hun neus bloedt en wrijven de paus zijn (niet leerstellig bedoelde) uitspraken plagerig onder de neus. Dat is hun uiteraard aan te rekenen. Het is echter ook naïef om te denken dat je als bestuurder en publiek persoon ontkomt aan dit soort onwelwillendheid – en dat je dus zonder risico neutraal bedoelde boeken kunt schrijven.

***

En dan zijn er de uitspraken ‘tegen het homohuwelijk’ of ‘tegen de homo’s’, die de critici maar al te gretig destilleerden uit de pauselijke boodschap voor wereldvredesdag en uit de toespraak die hij afstak tijdens de kerstborrel van de curie op 21 december. Letterlijk staan deze gewraakte uitspraken er eenvoudigweg niet. De paus verdedigt slechts met vuur de maar al te vertrouwde standpunten over seksuele identiteit, huwelijk en gezin. De eenduidige identiteit als man of vrouw, het heteroseksuele huwelijk en het vruchtbare gezin zijn volgens hem verankerd in de door God geschapen menselijke natuur en zijn op hun beurt dus ankers voor een stabiele samenleving en cultuur. Het is dus niet eerlijk als niet-pauselijk gezinden of sensatiebeluste journalisten de uitspraken zodanig isoleren, aandikken en ombuigen dat ze een anti-homoseksuele pointe krijgen. Het is echter tevens op zijn minst argeloos om hierop niet voorbereid te zijn.

Ik zeg: op zijn minst. Want ik denk eerlijk gezegd dat in dit laatste geval wel degelijk meer aan de hand is dan argeloosheid, contextongevoeligheid of tactloosheid. Met name door de bewuste verwijzing naar Gilles Bernheim mengt de paus zich wel degelijk in het actuele ‘debat’ (of wat daarvoor doorgaat) over de openstelling van het huwelijk voor gelijkgeslachtelijke paren. In de context van het hele pauselijke oeuvre beschouwd, zou het bovendien van de naïveteit van de lezers en toehoorders getuigen, als ze de paus niet zouden verdenken van een indirecte aanval op het homohuwelijk (wat overigens nog iets anders is dan een aanval op de homo’s). Misschien onderschatten we het gegroeide tekstpolitieke besef van de paus, als we de polemische gelaagdheid van zijn kersttoespraak niet onderkennen.

***

Toevallig – en om redenen die er niet toe doen – las ik dezer dagen een uit 1925 daterend essay van Thomas Mann over het huwelijk. Mann schrijft hierin over de crisis van het huwelijk en weidt in dat verband – anders dan de paus nu – wel uitdrukkelijk uit over homoseksualiteit. De gelijkgeslachtelijke erotiek wijst hij niet categorisch en ethisch af, al plaatst hij er wel de tijdgebonden kanttekening bij dat ‘Homoerotik’ een vrijblijvende en ontwortelde beleving van seksualiteit is. Mann evenaart in zijn pleidooi voor het heteroseksuele huwelijk – voor hem een universeel en ‘eeuwig’ instituut en een uiting van verantwoordelijke liefde – de stelligheid van de katholieke moraalleer.

Tegelijk – en daar zouden we tot op de dag van vandaag nog veel van kunnen leren – wijst Mann er op dat het ‘eeuwig-menselijke’ van het huwelijk en het gezin maar al te zeer zijn vervlochten met burgerlijke normen en vormen uit de negentiende eeuw, normen en vormen die volgens hem goddank aan kritiek worden onderworpen. Van deze knellende en beklemmende omstrengeling van universele waarden enerzijds en tijdgebonden normen en vormen anderzijds moet het huwelijk worden bevrijd, stelt Mann. De enige redding van het huwelijk uit zijn actuele crisis bestaat er in, zich verder te ontwikkelen. Immers:  ‘Das Ewig-Menschliche ist wandlungsfähig.’ Restauratie en verdringing van de natuurlijke ontwikkeling zijn de doodssteek voor het huwelijk en eindigen in de zielloosheid ervan. Het huwelijk hervindt zijn volledige waarde, glorie en bezieling pas, als het zich laat verruimen en verrijken door de ontwikkeling van het menselijk leven. Ontwikkeling is niet de vijand van het goede. En het homohuwelijk hoort daar gewoonweg bij – zeg ik maar even op eigen rekening.

Ach, Thomas Mann zegt het zelf allemaal veel beter en mooier, daarbij puttend uit een hegeliaans vocabulaire: ‘We moeten de weg van de Geest ten einde gaan, opdat er weer bezieling kan komen.’

2 thoughts on “Laten we de paus niet onderschatten



Geef een reactie