Ik, de gemiddelde Nederlander en vreedzame grazer

Er was post van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ik was uitverkoren. Mijn naam stond blijkbaar geschreven in de hand van het geheimzinnige hoofd van dit gezaghebbende instituut. Deze hand had mij uit de menigte geplukt, om mij te peilen en op basis van die peiling de mentale en materiële toestand van ons volk in kaart te brengen. Daaruit resulteert een kaart waarop beleidsmakers en neringdoenden met blind vertrouwen kunnen varen. De gedachte dat er Iemand is die mijn hart peilt: deze gedachte verwarmt datzelfde hart natuurlijk meteen.

Misschien is het allemaal banaler. Misschien heeft een of andere octopus gewoon blindelings een balletje uit een gigantische ballenbak gevist, waarop dan toevallig mijn naam staat. Een blinde steekproef: pas daarop kan men blindelings koersen, niet waar? Misschien – andere optie – weten de tellers van het CBS stiekem, dat ik over van alles  en nog wat een ongefundeerde mening heb en dat ik dat ook nog eens graag rondbazuin (zoals op dit weblog). Of nog erger: misschien ben ik toch meer die Henk van Ingrid, die stem des volks, dan ik zelf wil toegeven en ben ik daarmee geknipt voor de rol van gemiddelde Nederlander. Het CBS is misschien dus helemaal geen barmhartige God die mijn hart peilt, doch een almachtige, alziende God die mij op mijn nederige plaats wijst.

Nederigheid past ook wel in ontboezemingen – ook in de ontboezemingen die ik me voor deze week had voorgenomen. Ik wilde bijvoorbeeld goede sier maken met het feit dat ik vorige week tot de uitverkorenen hoorde, die het Bachconcert van Masaaki Suzuki in Eindhoven bijwoonden. (Als u hem niet kent: u kunt hem even te voorschijn googlen, nu u toch achter het scherm zit.) Maar zo bijzonder als de uitvoering zelf was, was ik als concertbezoeker helemaal niet. Ik zat namelijk in een volledig uitverkochte zaal te luisteren naar het ensemble dat onder de leiding van Suzuki tot een perfect afgestemd orgel werd. En zoals de musici opgingen in dit levende organon: zo ging ik op in de menigte toehoorders.

Heel bescheiden moet ik voorts bekennen dat ik met volle teugen genoot van het lange Pinksterweekend en dat ik met tegenzin op dinsdagmorgen weer aan het werk ging (hoezeer ik ook met de mond de zelfkastijding prees van de politici die Tweede Pinksterdag wilden opofferen). Het feit dat ik in de tuin een dik boek las en dat ik weer eens mijn CD met Alban Bergs opera Lulu beluisterde: dat woog niet op tegen de wellust waarmee ik mij voor het overige overgaf aan uitslapen, borrelen en royaal bunkeren – te meer daar ik weer mijn verlies moest toegeven tegenover die complexe muziek van Berg (alle wufte expressionistische orkestklank ten spijt).

Maar ach… ‘Hereinspaziert in die Menagerie…’, zo begint die decadente opera. Gaat ze niet over de wereld als een dierentuin en de mens als het ongebreidelde lustwezen? Dat roept ook weer het beeld op waarmee Thelen zijn Eiland van het Tweede Gezicht (zie het logje van de vorige week) besluit. Indringend is dat beeld: de wereld als een omheinde tuin, waarin we ons als grazers vrij en veilig wanen, zolang we niet te dicht bij het hek komen. Verontrustend? Gelukkig laat Thelen ons hier ook mee lachen. Wat rest ons anders?

Maar of het CBS hier wat aan heeft?

Geef een reactie