Hoezo elitair?

Mijn ouders kwamen uit een eenvoudig net-geen-arbeidersmilieu. Mijn vader (1926-2008) was de zoon van een rangeerder bij de spoorwegen, mijn moeder (1933-2009) de dochter van een lage bankbediende. Hun moeders waren eindjes aan elkaar knopende huisvrouwen. Mijn ouders waren laag opgeleid. Zodra hun leerplichtige levensfase was verstreken, waren ze van school geplukt om laag gekwalificeerd werk te gaan doen: mijn vader als jongste bediende bij een fotograaf, mijn moeder als hoedenmaakster. In 1958 trouwden ze. Vanaf dat moment legde mijn vader een trage loopbaan af op een kantoor, terwijl mijn moeder het huishouden deed – met liefde maar ook met onvervulde verlangens en onbenutte ontplooiingskansen.

Deze ouders lieten hun zonen naar een goede school gaan – en die school ook afmaken. Mijn broer en ik zouden en moesten meer kansen hebben. Uiteraard konden mijn vader en moeder niet alles volgen wat ik op de middelbare school leerde. Maar ze waren trots op mijn zevens en achten (en die ene enkele negen). Het enige leeradvies van mijn moeder luidde: ‘Als je je taal maar goed leert!’ Goed Nederlands leren: dat was het belangrijkste. Van mijn vader leerde ik één ding: houden van klassieke muziek. In zijn spaarzame vrije tijd was een handjevol grammofoonplaten zijn grootste troost. Zo had ook het bezoek aan betaalbare matineeconcerten zijn jonge jaren van een gouden randje voorzien.

Van deze eenvoudige mensen leerde ik waardering opbrengen voor immateriële dingen als beschaving en schoonheid. En al kostte het me – en kost het me nog steeds – moeite om boeken te lezen en al stelt het luisteren naar een Brucknersymfonie mijn zitvlees vaak op de proef: ik heb het aan mijn ouders te danken dat ik het soms moeizaam veroverde esthetische genot apprecieer – alsmede dat ik er inspanning voor over heb. Ik laat me er niet op voorstaan dat ik muziek en literatuur op waarde schat. Integendeel: ik wijd me juist in nederigheid en volharding aan de schoonheid en buig met respect voor datgene in de kunst wat groter is dan ik.

De maatstaven en de canon van beschaving die ik hanteer – en die ik dus uiteindelijk te danken heb aan een eenvoudige vrouw en een eenvoudige man uit een laag-burgerlijk Limburgs milieu – maken me soms wat onverdraagzaam jegens gemakzuchtige en slordige populaire cultuuruitingen. Ik kan dan wat snobistisch uit de hoek komen. Dat spijt me dan. Maar noem me [censored] niet elitair!  Ik ben geen lid van een geheim genootschap. Beschaving en smaak zijn niet verboden en voor iedereen bereikbaar.

Als men dat E-woord dan toch per se wil gebruiken: ‘elitair’ betekent ‘behorend tot de machtige en rijke minderheid van een samenleving’. Daarmee is dit woord toch vooral van toepassing op diegenen die zichzelf financieel en qua status verrijken aan en ten koste van de massa, door aan haar stenen voor brood te verkopen. Elitair: dat zijn ook diegenen die zich nu opwerpen als beschermers van de menigte tegen wat zij de elite noemen – en die moord en brand schreeuwen nu het niet met name te noemen lied van John E. mikpunt van kritiek is. Ja, er is zo iets als een populistische elite.

Twee mensen, die tot de ‘massa’ behoorden, zouden van ‘het lied’ in kwestie hebben gegruwd: mijn vader die, zonder enige muzikale scholing te hebben genoten, intuïtief de dieptelagen ontwaarde in een Beethovensymfonie en die zich stierlijk verveelde bij het horen van muzikale clichés – en mijn moeder, die mij bij herhaling bezwoer om toch vooral correct Nederlands te spreken en te schrijven. Namens hen schaam ik me diep, dat straks op 30 april Nederland zichzelf in zijn hemd zet.

Daar is niks elitairs aan. Het is het superego, dat mij met de paplepel is ingegeven door twee sappelende mensen in een sociale huurwoning in Heerlen, die van nature aanvoelden wat beschaving was en smaak. Het is gewoon het gevolg van een fatsoenlijke, burgerlijke opvoeding in een normaal Nederlands gezin.

Geef een reactie