Het sluipend gif van de taal

Het is een cliché om te beweren dat de bijbel een gewelddadig boek is en dat er in het boek veel bloed vloeit. De Bijbelse auteurs hebben echter heel goed door dat geweld en macht vooral langs subtiele sluipwegen hun werk doen. Het meest geduchte wapen is wel de menselijke tong. Met woorden kan de ene mens de ander breken. De tong kan een gemeenschap in rep en roer brengen, de grondvesten van de maatschappij doen wankelen.

Geweld begint dus niet altijd met stalen vuisten en bloedvergieten, maar vaak juist met het slinkse gelispel van de tong. Het wapen van het woord is vooral zo fataal, omdat het zich kan losmaken van degene die het hanteert. Woorden kunnen een eigen leven gaan leiden. Als de bezems van de tovenaarsleerling doen zij wat hun kwaad dunkt. Voordat er robots waren, om ons zorgen om te maken, was er al de taal met haar eigen geniepige willetje. Zo wordt de dichtregel van Oosterhuis werkelijkheid: “Taal zal alleen verwoesting zaaien.”

Dit doet de taal vaak als een mokerslag. We kennen allemaal wel de woorden die ons breken op het moment dat ze worden uitgesproken: het vernietigende oordeel en het kleinerende commentaar, de oorlogsverklaring en de openlijke contractbreuk. Maar taal werkt ook als een sluipend gif. Zonder dat we ons van enig kwaad bewust zijn, zaait de taal ongemerkt kiemen in ons, die geleidelijk hun verwoestende werk doen, als kankercellen of virussen. Met hun schijnbare en ragfijne gewichtloosheid spinnen de woorden ons in.

Vooral van de paplepel van de opvoeding bedient de schikgodin van de taal zich graag. Al vanaf het moment dat we in onze wieg nog nietsvermoedend wegdromen op de vleugels van de onschuld, fluistert ze ons in wat ons lot zal zijn. Tragisch genoeg gaat het taalspel van de heilige boeken daarbij niet vrijuit. Velen worden nog steeds omwikkeld met een web van woorden uit de Bijbel, Koran of Catechismus. Dit bepaalt hun zelfbeeld en zienswijze op anderen – en daarmee hun doen en laten.

Dit alles is uiteraard maar één kant van de zaak. Taal kan behalve breken ook maken en opbouwen. We kunnen de schaduwkant echter niet ontkennen. Wie het bovenstaande te pessimistisch vindt, doet er goed aan om het laatste boek van Dimitri Verhulst, Kaddisj voor een kut, te lezen. Het beschrijft het lot van Belgische ‘instellingskinderen’, die sociaal ongewenst verklaarde kinderen die in instituten opgroeien voor galg en rad – meestal om op hun beurt weer verschoppelingen op de wereld te zetten. Zo schetst Verhulst een schrikbarend beeld van Fortuna’s eeuwig draaiende rad.

Enerzijds laat Verhulst zien dat je de taal naar je hand kunt zetten en dat ze je dan kan helpen om te ontsnappen uit de strikken van het noodlot. Zijn eigen biografie als verteller is een voorbeeld van deze ontsnapping. Hij laat anderzijds echter ook zien hoe de taal gedurende de socialisatie je leven onomkeerbaar ten slechte kan beïnvloeden.

In zijn nieuwe boek bezegelt juist de religieuze indoctrinatie, ondanks alle goede bedoelingen van de opvoeders, het droeve lot van instellingskinderen. Als Sarah zich prostitueert voor haar vriend Stefaan, is dat mede te danken aan het feit dat “de nonnen” haar de “woorden voor de totale overgave” hebben bijgebracht. En als Stefaan en Sarah uiteindelijk geen andere uitweg zien uit hun uitzichtloze bestaan, dan het ombrengen van hun kinderen en zichzelf, is dat óók mogelijk doordat “sterven om te leven” in de kerk als een recept was voorgeschoteld. Het werd hun mantra – met alle gevolgen van dien.

Gelukkig is de realiteit niet alleen zwart. Zelfs aan het bestaan van zwarte gaten wordt sedert kort getwijfeld. Het is echter soms goed om erbij stil te staan, dat in onze samenleving en cultuur zwarte zones bestaan die alle licht meedogenloos opzuigen. Goede woorden zijn hiertegen niet opgewassen en de kwade taal doet er ongestoord zijn werk. In dat soort situaties doen onze wollige woorden er minder toe dan onze klinkklare daden.

***

Dit artikel verscheen eerder op De Bezieling.

Geef een reactie