Het is een dolle boel in kerk en hospitaal.

Vroeger moest je op bepaalde plekken plechtig fluisteren – en daarbij bovendien het spreken beperken tot het absoluut noodzakelijke. Als ik in het gezelschap van mijn moeder de wachtkamer van de dokter betrad, viel er een gewatteerde deken van stilte over me heen. Krampachtig zwijgend staarden de reeds aanwezige patiënten naar de geboende vloer. Je keek dan wel uit, om je mondje te roeren. En in de kerk – waar mijn moeder heenging met een manifeste, niet bepaald tot voortzetting van de gelovige traditie inspirerende tegenzin – heerste een beklemmende stilte die slechts werd onderbroken door hogehakjesgeklak en schuifelgeluiden, geruchten die meedogenloos werden uitvergroot door de nagalm van de decadent-neogotische architectuur. Als er in de wachtkamer en in de kerk al werd gesproken – bijvoorbeeld omdat er een bevel tot stilzitten moest worden gegeven – gebeurde dat, zoals gezegd, aan de hand van vinnig lispelend gefluister.

Ik aanvaardde deze code onderdanig en gelaten, maar ik probeerde er natuurlijk wel een sluitende verklaring voor te vinden.

De onzichtbare ziekte van die bezorgd, maar overigens gezond ogende patiënten in de wachtkamer was blijkbaar van dien aard – zo bedacht ik – dat ieder luid gesproken woord onbedoeld zou overkomen als ongepaste relativering van de ernst van de zaak. Ziekte liet uiteraard niet met zich spotten. En waarschijnlijk moest je er rekening mee houden – zo redeneerde ik – dat er onder die patiënten minstens iemand was, wiens dagen waren geteld. En de dood – ook als hij nog in de coulissen staat – dwingt nu eenmaal een bedremmeld zwijgen af. In mijn fantasie vloeide vervolgens het beeld van die backstage op zijn beurt wachtende dood samen met dat van de huisarts, die achter de gecapitonneerde deuren zijn letale vonnissen uitsprak.

In de kerk was de stilte van een andere aard. Ook hier kwamen de mensen zekerheidshalve veel te vroeg naar toe, om vervolgens op een harde bank een kwartier lang te zitten wachten tot een al even raadselachtige deur (namelijk die van de sacristie) open ging. Maar op hun gezichten was eerder verveling en onoprechte ernst te zien, dan de gekwelde bezorgdheid van de wachtkamerpatiënten. Het zwijgen en fluisteren hingen hier waarschijnlijk eerder samen met de karakterstructuur van de geheimzinnige bewoner van het kille kerkgebouw. Was Onze Lieve Heer (want volgens de katholieke opvatting was niemand minder dan Hij de heer des huizes) een humeurige oude man? Leed hij op zondagochtend aan migraine, zoals zoveel harde werkers? Was hij zo iemand die elk woord later tegen je zou gebruiken? In dat geval was hij blijkbaar ook hardhorend, want fluisteren kon dus weer wel. Mijn wekelijkse gesjok naar de kerk heeft mijn godsbeeld in elk geval geen goed gedaan.

De kerkelijke sfeer en die van de gezondheidszorg vloeiden in katholieke kringen overigens vaak samen. Katholieke ziekenhuizen, met de centrale plaats van de kapel en met de verwijzingen – in naamgeving en interieur – naar vanuit de hemel toekijkende heiligen, vormden een wachtkamer voor het hiernamaals. In Maastricht werd de zorg aan zieken en ouderen verstrekt in een instituut met de ongetwijfeld niet ludiek bedoelde naam Calvarieberg – een naam die in de volksmond overigens geleidelijk is losgekoppeld van zijn religieuze oorsprong en is verbasterd tot het gemoedelijke Klevarie, dat het als laagdrempelige merknaam inmiddels weer goed doet. In dergelijke instituten potentieerden de geladen atmosferen van wachtkamer en kerk elkaar. Lol trappen was er in elk geval niet bij, als je er op bezoek kwam.

***

Inmiddels zijn de zeden verwilderd wat betreft het spreken in kerken, wachtkamers en ziekenhuizen. In kerkgebouwen is de in onze cultuur ingeburgerde opvatting doorgedrongen dat alles wat kinderen doen leuk is, ook als dat met veel decibellen gepaard gaat. In wachtkamers van huisartsen en ziekenhuizen praten mensen ongedwongen hardop – soms noodgedwongen overigens omdat hun stem anders niet boven het geluid van Sky Radio uitkomt. In ziekenhuizen spant men zich bovendien in tot het uiterste, om de ontspannen sfeer van de meubelboulevard te benaderen.

In Eindhoven bijvoorbeeld wordt het hoofdziekenhuis  – waar ik gisteren weer even was – niet meer gedomineerd door de heilige Catharina, die ernstig doch vriendelijk de deur naar de hemel openhoudt voor de patiënten. Nee: het zijn nu opgewekte branding-praktijken die kleur en humor toevoegen aan de gang naar de afdeling of het verblijf in de wachtruimtes. Zo is op displays te lezen, dat het ziekenhuis sinds kort onderdeel is van de merkketen Santeon. Op bijbehorende foto glimlacht een arts zijn voldoening hierover uit – in het wit gekleed en voorzien van een stethoscoop. (Het is mij overigens een raadsel waarom artsen in reclame-uitingen altijd hun werkkleding aanhouden. Hadden ze geen tijd om zich even netjes om te kleden voor de mensen? Dat heeft hun moeder hen toch niet zo geleerd, zou je zeggen. En is dat allemaal wel hygiënisch, dat gezeul met die stethoscoop en zo? Maar dit terzijde.)

Een wel erg veel ontspanning beogende vorm van branding werd enkele jaren geleden toegepast door het Máxima Medisch Centrum, eveneens in Eindhoven. Nadat de nieuwe naam was ingevoerd – ten koste van het als oubollig beschouwde ‘Diakonessen’ en ‘Sint-Jozef’ – presenteerde het ziekenhuis zich met de slogan: ‘Zorg met een accent’. Leuk, zo’n gelaagd woordgrapje. Daar knap je van op als je er binnenkomt met kanker of weggaat zonder je geamputeerde been. Nee dus. (Om welke reden dan ook is de slogan inmiddels uit de vaart genomen. Ik hoop dat het een uiting is van bezinning.)

De tijden veranderen. In kerken zijn er inmiddels carnavalsmissen en voetballende pastoors. En de ziekenhuisdirecteuren blijven niet achter en leuken het verblijf in hun instelling op met inzet van al hun creativiteit. Met zulke directeuren heb je geen Cliniclowns meer nodig, zullen we maar zeggen. Alaaf!

Geef een reactie