Het erbij-hoor-gen

Ik ga mij wagen aan een hachelijke onderneming. Ik ga namelijk schrijven over iets waarvan ik niets afweet – omdat ik het niet heb. Datgene wat ik niet heb, maar mij wel intrigeert, is het erbij-hoor-gen.

Ik sta iedere keer weer verbaasd, verwonderd en met naijver geslagen, wanneer ik zie hoe mensen opgaan in een gemeenschap en eenworden met een groep, wanneer ik zie hoe mensen ervan opknappen als hun iets op het revers wordt gespeld of iets om de hals wordt gehangen. Voordien dwaalden ze doelloos rond als schapen zonder herder, maar als bij toverslag zijn ze  koersvast en doelbewust geworden. Met ferme tred gaan ze nu op hun doel af, terwijl ze met de andere grazers af en toe minzame blikken van verstandhouding wisselen en elkaar een gelukzalige glimlach toewerpen.

Ik sta dan als verlamd en als aan de grond genageld langs de weg en zie machteloos toe hoe de vastberaden kudde voorbijtrekt, stralend van geluk. ‘Ik wil ook zo’n doel! Ik wil ook zo’n koers! Ik wil ook zo’n kompas!’ – roept alles dan in mij. De vonk slaat echter niet over en het geluk, dat voor korte duur onder handbereik leek te liggen, vervliegt: het geluk dat er blijkbaar in bestaat om een weg te hebben (waarheen dan ook) en een doel (welk doel dan ook).

Meestal zijn het trouwens gewoon aardige mensen, die gelukkige grazers. Het ligt echt niet aan hen, dat ik het nakijken heb bij hun idealistische processies en dat ik de aansluiting mis. Als het aan hen zou liggen, zou ook ik meelopen. Sterker nog: de uitnodigingen stapelen zich op. Het is gewoon een kwestie van aanleg, dat ik niet meemarcheer. Ik mis, zoals gezegd, het erbij-hoor-gen. Ik heb geen talent om lid te worden van de SP of mee te gaan naar Taizé.

Dit betreft trouwens niet alleen grote bewegingen. Ik kan me ook al niet verplaatsen in collega’s die ‘helemaal gaan voor’ hun organisatie, die hun bedrijf ervaren als een ‘gemeenschap’ en die stijf staan van de intrinsieke beweegredenen. Ik doe het werk dat ik doe, omdat ik het – nu moet ik, met uw permissie, gaan vloeken in de motivatiekerk – ‘leuk’ vind. Ik vind dat mijn organisatie en de mensen die haar bevolken deugen.

Natuurlijk functioneer ik door deze getemperde motivatie ook wel eens op een laag vuurtje, soms zelfs op zo’n nauwelijks zichtbaar blauw waakvlammetje. Op die momenten ben ik best wel jaloers op al de gedrevenen, bevlogenen en geïnspireerden – en ik zou dan ook wel willen vallen onder zo’n voltooid deelwoord.

Helaas.

O, ik ben natuurlijk wel gewoon lid van verenigingen of verbanden, bijvoorbeeld omdat ik vind dat die goede dingen doen, mooie dingen maken of ware dingen zeggen –  echter niet omdat ik erin ronddobber als een foetus in het vruchtwater. Een hele tijd geleden hanteerden marketingmensen de ‘temperatuur’ van een organisatie als maatstaf. Welnu: ik houd ervan als een club een zekere koelte koestert. Zo vind ik het in de Remonstrantse Broederschap bijvoorbeeld aangenaam fris.

Ik draag overigens een enkele keer wel degelijk een speldje, maar dan is dat niet zozeer om mij te identificeren met een groep, maar om mij ermee te solidariseren. Als er weer eens bussen worden opgeblazen in Israel of als antisemieten in Frankrijk de lachers op hun hand krijgen, draag ik bijvoorbeeld met schroom gedurende een paar dagen een Davidsster – die ik dan uiteraard spoedig weer afleg om verwarring te voorkomen. Merkwaardig genoeg draag ik dus alléén (en dan nog sporadisch) het kenteken van een groep, waar ik per definitie niet bij hoor. Zo ver gaat mijn gebrek aan het erbij-hoor-gen.

Het klinkt allemaal hoogmoedig en hautain, nietwaar? Neemt u echter van mij aan, dat de hierboven vermelde jaloezie op de baders in de warme menigte niet geveinsd is. Ik zou ook graag met of voor meer sociale intimiteit in de wieg zijn gelegd. Niet voor niets zwelg ik in kleffe romantische literatuur, zoals de werken van Jean Paul. Op een ironische afstand geniet ik van de vele omhelzingen en van de aan de boezem van vrienden en vriendinnen geplengde tranen.

Eén voordeel heeft het ontbreken van het erbij-hoor-gen echter wel: je schrikt er minder van als je ontdekt dat leven een eenzaam avontuur is en dat de kracht en de kwaliteit van geloven, hopen en liefhebben in die eenzaamheid worden geboren.

Geef een reactie