God achter prikkeldraad

straatsburg-munster-2012

Het munster van Straatsburg

Het stond al lang op mijn verlanglijstje: een bezoek aan de kathedraal van Straatsburg. Dat werd dus het toetje van onze vakantie, genoten op de thuisreis vanuit Zwitserland. Ooit heb ik Goethes beschrijving van de kerk gelezen. Zijn confrontatie met dit tegelijk massieve en sierlijke, verheven en toegankelijke bouwwerk is een klassieke gebeurtenis. Het was voor hem een stap op de weg om vriendjes te worden met de gotiek, de door hem aanvankelijk zo verfoeide kunststroming. De schijnbare grilligheid en onevenwichtigheid van de middeleeuwse bouwkunst kon hij nu verzoenen met zijn obsessie voor het harmonische en organische. Althans: dat vond de new-age-controlfreak Goethe zelf. Ik ben er niet uit. Ik verdenk hem er toch van, dat hij zich stiekem meer thuis heeft gevoeld bij de tuttigheid van de vakwerkhuizen, waar blozende Elzasmeisjes hun blonde vlechten uit het raam lieten hangen – zo fantaseer ik maar even.

Ik was in elk geval weg van de stad en van de sympathiek opdringerige voorgevel, waarmee de kathedraal haar schip verlegen aan ons oog onttrekt. Na het geweld van de gletsjers en de hoekige bergtoppen onderging ik de menselijke ordening van de elementen als een verademing. (Ben ik dan toch meer door Goethe ‘angehaucht’ dan ik wil toegeven?) Ik ging vervolgens over tot een bezoek aan de kerk. Gedwee volgde ik de stoet van cultuurpelgrims die de pijlen volgden van het toeristische parcours. Uiteraard nam ik bij de ingang kennis van de niet mis te verstane voorschriften voor de bezoeker: geen naaktloperij, niet picknicken en roken, geen spreekkoren of ghettoblasters enzovoorts.

In de kerk zelf werd op de inachtneming der voorschriften toegezien door toegewijde werkkrachten. Er liep een oude dame rond, met een gehaakt vestje, een spiedende blik en de handen op de rug – als een surveillant die moet voorkomen dat er wordt gespiekt tijdens een proefwerk. Om haar nek bungelde een bordje met daarop in grote letters het woord ‘accueil’, ‘gastvrijheid’. Een kwartier voor aanvang van een mis deed haar collega, een zich gejaagd voortbewegende toneelknecht, de ronde. Hij spande linten rond de zitplaatsen voor de gelovigen, verjoeg de kijkers uit de aldus afgebakende zone en verwijderde bezoekers uit zijkapellen. Andere toezichthouders maanden bezoekers om hun mobiel gesprek te beëindigen of om hun hoofddeksel af te nemen.

Overigens neem ik tijdens een bezoek aan een kathedraal altijd mijn verrekijker mee. Ik raad het u aan. De hoge gebrandschilderde ramen, de plafondversieringen en kapitelen kun je dan goed bekijken. Destijds hebben kunstenaars ze immers aangebracht voor de adelaarsogen van Onze Lieve Heer zelf en niet voor nieuwsgierige menselijke blikken. Bovendien bevinden veel kunstschatten zich in het priesterkoor en dat domein is in katholieke kerkgebouwen niet toegankelijk voor de Gewone Mens. Je kunt vaak wel voor een kwartje een lampje laten branden in de apsis, maar dat is het dan. De tussenetage van het priesterkoor is een no-go-area, een Sperrgebiet voor de Heilige Himself. God achter prikkeldraad.

Ik volg dat tot op zekere hoogte wel. Het is goed dat bepaalde voorwerpen, handelingen, personen en stukjes aarde worden gemarkeerd als heilig en dat er afstand wordt geschapen. Dat doordringt ons van het besef dat niet alles eender is. Het behoedt ons voor de onverschilligheid en de nivellering. En toch…

Zeker sedert de tijd van Goethe is er een ander besef van het heilige ontstaan. Het heilige is ook (en voor veel mensen bij uitstek) te benaderen via schoonheid. Veel toeristen en kunstminnaars bezoeken een kerk dan ook om via de kunst een flakkerende glans van het heilige op te vangen. Ze komen heus niet alleen uit voyeurisme of met het oogmerk om de kerk te profaneren. Ze herkennen zich dan misschien niet in de katholieke opvatting van het heilige: maar ze komen wel uit respect voor het verhevene dat ligt verscholen in de schoonheid. Vaak is kunstgenot hun enige weg om het overstijgende, boven-individuele te benaderen. Is het dan wel verstandig om deze weg te versperren of te bemoeilijken?

Volgens mij worden mensen overigens vanzelf stil en nemen ze spontaan hun hoed af, als ze oog in oog staan met een monumentale schildering in de apsis. Hoe dichterbij, hoe overweldigender het immers is. Voor respect is geen politieverordening nodig. Maar los daarvan: laten we even meegaan met het katholieke besef dat het priesterkoor een heilige zone is vanwege het liturgische karakter ervan. Bereiken de hoeders van dat heilige dan eigenlijk wel hun doel? Een roofdier in een dierentuin, omgeven door allerlei voorzorgsmaatregelen, roept geen huiver op doch alleen meewarigheid. Katholieken doen het zelfde met datgene wat zij zien als het heilige: ze plaatsen er een groot hek omheen. Alsof ze God en mensen voor elkaar moeten beschermen. Dat roept geen heilig respect op, maar hooguit een gevoel van veiligheid en beleefde afstandelijkheid. Ik neem dan mijn hoed niet af voor het heilige, maar loop er met een grote boog omheen. Netjes de pijlen volgend. Naar de uitgang.

Geef een reactie