Geweigerde troost

Gedurende het hele jaar vast hij en ontzegt hij zich het mooiste wat er is. Maar Aswoensdag is nog niet voorbij, of hij sluipt op een onbewaakt moment naar de platenkast, haalt zijn favoriete uitvoering van de Mattheuspassie van Bach tevoorschijn, legt de zwarte vinylen schijf op de draaitafel en laat de naald voorzichtig indalen in de groef. Een teer en fluisterend geknetter maant tot stilte en dan klinkt die aanzwellende, duistere hartenklop van de openingsreidans: “Kommt, Ihr Töchter…”

Er gaat een wereld open voor de luisteraar: een schatkamer of – in dit verband detonerend uitgedrukt – een snoepwinkel, die een jaar lang gesloten bleef. Drie uren van muzikaal genot volgen, met enkele inzinkingen van de concentratie en de vervoering, maar steeds weer voerend naar hoogtepunten, naar tophits als ‘Erbarme doch’, ‘Sind Blitze’ en ‘Mache dich’.

De melomaan wacht echter vooral op dat ene moment dat – als het oog van de orkaan – een ankerpunt van stilte is in de barokke protestantse quasi-opera van Bach. Het is de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben. Hier stript de componist de muziek van alles wat haar tot nu toe smeuïg heeft gemaakt. De ijle sopraan – op de oude grammofoonplaat een vals krassend jongetje – wordt begeleid door drie hakkelende houtblazers.

Nooit werd verlatenheid en ontreddering schrijnender op muziek gezet. Nooit werd schande schaamtelozer onder onze neus gewreven. De verzoenende en verzoetende tekst – die op gespannen voet staat met de ontroostbare klanken – is in deze uitvoering gelukkig niet verstaanbaar. De muziek spreekt voor zichzelf en zegt iets anders.

De indringendheid van Bachs aria vindt haar evenknie in de beeldende kunst, in het Isenheimer altaar van Grünewald in Colmar bijvoorbeeld en in de beeldtraditie die op diens vormentaal varieert. Dat gebeurt tot in onze tijd. De mogelijkheden van een confronterende weergave van het schandalige lijden zijn met name in de twintigste eeuw uitentreuren uitgemolken – soms op het gevaar van clicheren af, zoals bij Francis Bacon. De eeuw van de catastrofes vroeg weliswaar om deze overkill, maar het leidde ook tot artistieke uitputting en afstomping.

In het geweld van de twintigste-eeuwse beeldtaal zijn er echter momenten die daar indringend doorheen prikken, zoals de ‘Getekende Kruisweg’ van de Vlaamse expressionist Albert Servaes (die momenteel te zien is in de Kloosterbibliotheek Wittem). Ingehouden indringend zijn de taferelen, die ooit bedoeld waren voor de kapel van de Karmel in Luithagen (onder Antwerpen) en vanwege hun choquerende karakter in de ban raakten.

De kunstenaar heeft de houtskooltekeningen uit 1919 nooit  kunnen overtreffen, ondanks pogingen daartoe. De directheid vlakte hij in zijn latere lijdenstaferelen af, aldus kenners. Kwam dit door voorzichtigheid of werd zijn klassieke vroomheid hem te machtig – zoals ook Bachs verontrustende muziek altijd in het geruststellende Lutherse vaarwater verzeild raakte?

Altijd? Ondanks de verzoeningstheologie, waarvan de tekst van Bachs aria is doordrenkt, vijlde de componist niet de scherpe kantjes van zijn muziek af. De muziek lijkt eigenlijk te zijngeboren voor deze woorden van veel latere datum.

Christus aan het kruis. Verward denkt hij aan
het koninkrijk dat hem wellicht te wachten staat
en aan een vrouw die niet de zijne was.
Hij weet dat hij geen god is, maar een mens
die met de dag vergaat. Het maakt hem niet uit.
Het harde ijzer van de spijkers maakt hem uit.
Hij is geen Griek en geen Romein. Hij kermt.
Gehaast zoekt zijn ziel het einde.
Het is wat donker geworden. Hij is nu dood.
Over het stille vlees kruipt een vlieg.
Wat kan het mij baten dat die man
geleden heeft, als ik nu lijd.

J.L. Borges (1984)

Er zijn zalvende en verzoenende woorden en gebaren genoeg. De muziek van Bach, de beelden van Servaes en de woorden van Borges: die wenden hun hoofd af van hem die goedkope troost biedt.

 

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

Geef een reactie