Geloven is op de tocht staan.

Het geloof staat niet als een huis, maar is een dakloos luchtkasteel met glasloze ramen. Het ontbeert een fundament, heeft het zenit als dak en de einder als omheining. Wie zoekt naar bronnen en grondslagen begeeft zich op een even onvermijdelijke als vergeefse tocht. Wie zoekt naar een laatste woord, een voltooiing: zij of hij betreedt een even noodzakelijke als doel- en eindeloze weg. Geloven is oneindige regressie en progressie. Er is noch een fundament, noch een dak, noch een ommuring. Geloven is op de tocht staan*).

Thomas Mann

De onlangs te langen leste in het Nederlands verschenen romancyclus Jozef en zijn broers van Thomas Mann (1875-1955) herinnert ons hieraan – voor zover de oplettende lezers van de juiste mystieke en theologische teksten eraan herinnerd moeten worden. Niet dat Mann de pretentie had een theoloog te zijn, laat staan dat hij zich voor een theologisch karretje kan laten spannen: hij had echter een feilloos zintuig voor de miskleun van het fundamentalisme, waarbij hij vooral de politieke versies ervan op het oog had (aanvankelijk het dogmatische liberalisme, later het nationalisme en het fascisme). Hij analyseerde en bestreed dit verschijnsel bovendien met behulp van categorieën die getuigen van een verbluffende theologische onderlegdheid.

Dit deed Mann vooral in zijn ‘Jozef’ (1933-1943). Reeds op de eerste bladzijde waarschuwt de verteller ervoor, om tijdens de ‘herbronning’ voortijdig stil te staan bij ‘schijnhouvasten’. Hij nodigt ons uit om steeds verder te gaan, gelokt door ‘nieuwe verten’. De bron of put van het verleden is bodemloos ‘hoe avontuurlijk ver we het snoer van ons peillood ook afspoelen’. Dit is het verslavende avontuur van de oneindige regressie. Daar tegenover staat de noodgedwongen onderneming van de doelloze progressie: het blijft nodig ‘dat wij nadenken, zorgen en onrustig zijn – wat Abrams deel was en ons deel is telkens weer – om ons los te maken van de wereld die Heer met ons wil overstijgen’. God en wij zijn ongeneeslijk toekomstig voor en met elkaar. Juist dat verbindt ons.

Leven met onzekerheid

Veel gelovigen – en vooral degenen die hun brood ermee verdienen – zullen zeggen dat ze ‘hier niks mee kunnen’. De ‘hokjesman’ van de vpro bracht dezer dagen dergelijke gelovigen en hun leveranciers ten tonele. Zij deden de – in sociologisch en psychotherapeutisch opzicht tot op grote hoogte correcte – vaststelling dat ‘de mensen’ en vooral de jongeren onder hen houden van zekerheden.

Leven met onzekerheid is voor weinigen weggelegd – en ik betrap eerlijk gezegd ook mezelf erop dat ik het gebrek aan bodem, dak en muren vaak op snobistische wijze compenseer door er een chique vorm van agnosticisme van te maken, waarbij ik me ‘goed voel’. Ook de erkenning van de bodem-, grenze- en dakloosheid van het geheim kan een ‘stoplap’ zijn, een vorm van berusting, terwijl het juist een prikkel moet zijn om het onvindbare juist te gaan zoeken. Het kan een voorwendsel zijn om de zoektocht op te geven. Daarom bezigde ik hierboven de uitdrukking ‘even onvermijdelijk als vergeefs’. Ook een paradox als deze kan echter op zijn beurt een esthetisch schijnhouvast van pseudo-intellectuelen zijn. Over oneindige regressie gesproken…

Groepssport

Gelukkig is geloven daarom ook een groepssport. We houden elkaar bij de les om te voorkomen dat we berusten of vluchten in schijnhouvasten of mooie bespiegelingen over het ontbreken daarvan.

In dat opzicht is het  jammer dat – ook en juist in vrijzinnige en progressieve kringen – het ontluisterende wederzijds kritische gesprek uit de weg wordt gegaan. Het is te betreuren dat het dogma van het instituut heeft plaatsgemaakt voor de onfeilbaarheid en onaantastbaarheid van de eigen ‘ervaring’, al dan niet opgedaan in het ommuurde innerlijk. Ieder bouwt zijn eigen torentje van Babel – datgene waarvan de rusteloze abrahamitische ziel zo gruwde.

Het is pijnlijk om vast te stellen dat de kerken en de met hen verbonden publicisten en media, voor zover zij de kritiek op het dogmatisme serieus nemen, zijn gaan lijken op huiselijke houten-speelgoed-winkels – waar men aan de homo cocoonans degelijke en onverwoestbare, maar net iets te vriendelijke en tandeloze producten worden verkocht met net iets te ronde hoeken, waaraan niemand zich een buil valt.

Waar is de radicale mysticus of theoloog van deze tijd, die in de kerk van politiek correcte, muf-warme liefdesmantels durft te vloeken? Wie is – om met Manns verteller te eindigen – in onze tijd en contreien de Abraham die op weg gaat ‘omdat hij het gevoel heeft dat dit in zijn situatie van ontevredenheid en twijfel, ja, van gekweldheid, het juiste en passendste is’?

 

*)         Van die tocht is op een gegeven moment de Heilige Geest gemaakt, die de dogmatici hebben vastgepind als een vlinder.

 

De citaten zijn ontleend aan de onlangs verschenen vertaling van Th. Manns ‘Jozef en zijn broers’ (Wereldbibliotheek, Amsterdam).

Geef een reactie