Een ontnuchterend besluit

Ik weet niet of u het heeft hebt vernomen, maar de paus treedt af. Anders weet u het in elk geval nu. Hij kondigde het afgelopen maandag aan tijdens de rondvraag van een vergadering in Rome. Vervolgens werden de media gedomineerd door twee trefwoorden: verbazing en ergernis.

***

Er was ten eerste onthutsing. Sinds mensenheugenis is het niet voorgekomen, dat een paus aftreedt. De nu levende generaties weten niet beter, dan dat pausen regeren tot hun laatste ademtocht. Dat pausen dat graag doen, hangt samen met het monarchale karakter van hun ambt. Dit verschilt van het koningschap of van het ambt van zelfbenoemde dictatoren alleen doordat het dynastieke karaker eraan ontbreekt– al is er in het Vaticaan dankzij een doordachte benoemingenpolitiek wel degelijk sprake van een verwaterde vorm van erfopvolging. Maar de functie is verder net zo verslavend. (Ik bedoel de gelijkenis met dictatoren uiteraard vooral formeel. Ik zeg het maar even, voordat ik daar trammelant over krijg.)

Het sterven in het harnas is echter niet dwingend. Dat de paus zijn ambt neerlegt, is eenvoudigweg een kerkrechtelijke, historische en theologische mogelijkheid. We moesten er nu ook concreet rekening mee houden, omdat Josef Ratzinger van meet af aan deze mogelijkheid heeft open gelaten. Zijn wetenschappelijke attitude maakte hem in de ogen van sommigen misschien minder geschikt voor zijn ambt: hij dankte en dankt er wel een breder perspectief aan. Als rastheoloog zag en ziet hij zijn huidige ambt in de juiste proporties. En nu geeft hij dan metterdaad het statement af, dat het pausambt niet minder, maar ook niet meer is dan het hoogste ambt in de kerk – en geen noodlot of onomkeerbare verheffing in hemelse sferen. Hij onderstreept dat het een functie binnen en een orgaan van de kerk als geheel is – zij het ook een uit de kluiten gewassen orgaan.

***

Ik vond het aantreden van Benedictus XVI in 2005 een verademing. Uiteraard had ik liever Carlo M. Martini op de stoel gezien, maar wist ook dat dit naïeve hoop was en dat Johannes Paulus II een reactionaire opvolger zou krijgen. Ik schrok er dus niet van, dat uitgerekend de rechtlijnige Ratzinger werd gekozen. Tegen de achtergrond van dit realisme, ondervond ik het optreden van de nieuwe paus voor het overige als weldadig. Ik zag dat de man gewoon bleef wie hij was: een wat schuwe en allesbehalve mediagenieke kamergeleerde, die gewoon deed waar hij goed in was, namelijk mooie teksten schrijven. Ik waardeerde in dat ‘zichzelf blijven’ niet zozeer de ‘authenticiteit’ (want die wantrouw ik, als ze tot een waarde in zichzelf wordt verheven), maar het feit dat deze paus zijn taak nuchter en prozaïsch opvatte, zich niet wilde vertillen en zich niet liet verleiden tot een charismatische schoonheidsoperatie.

Benedictus’ stak en steekt hiermee af van zijn voorganger. Deze was wel een ‘charismatische’ en mediagenieke man. De keerzijde daarvan was dat hij, zoals een Duits journalist schreef, een solistische paus-zonder-kerk was. Johannes Paulus II zag zichzelf niet zozeer als een orgaan van de kerk. Hij beschouwde omgekeerd de kerk als een mediaal en disciplinair vehikel om zijn individuele missie te kunnen realiseren: een missie die er voornamelijk in bestond om jongeren tot blind enthousiasme op te zwepen en het katholicisme om te smeden tot een few-issues-beweging.

De heldhaftigheid van Johannes Paulus II maakte deel uit van deze missionaire opzet. Het dwong enerzijds respect af, dat hij tot het bittere einde zoveel doorzettingsvermogen en opofferingsgezindheid aan de dag legde. Aan de andere kant was de vraag onontkoombaar, wat of wie hij daarmee diende. Zelfs zeer gezagsgetrouwde katholieken hoorde ik uitspraken doen als: “Daar heeft toch niemand om gevraagd!” Bestuurlijk dreigde het in elk geval disfunctioneel te worden. Als getuigenis had het ‘tot-de-laatste-snik-volhouden’ van Johannes Paulus II wellicht wel zijn waarde, maar de vraag is of het ambt als podium voor deze performance is bedoeld – hoe oprecht ze ook bedoeld is.

***

Die laatste vraag heeft Benedictus XVI met nee beantwoord, doordat hij opstapt nu hij nog pap kan zeggen – en hopelijk nog veel andere, diepzinnigere woorden. Indirect en metterdaad – maar welbewust – plaatst hij zijn ambt hiermee in een ontnuchterend kerkrechtelijk perspectief – als een aan een hoger doel dienstbaar en ondergeschikt ministerie. Zijn besluit is een waardevol getuigenis op zich, een getuigenis van realiteitszin, van gevoel voor proporties en van bescheidenheid.

De prijs die wordt betaald, is dat het pausschap nu van zijn mystiek is ontdaan – en daarmee tevens van de betovering die er ook buiten de kerk van uitgaat. De vorige paus had – door de gehaaide combinatie van het ‘charisma’ enerzijds en zijn solistische, van de kerk als organisme losgekoppelde optreden anderzijds– een ‘uitstraling’ die ook buiten de kerk haar werk deed. Hij was een soort goeroe. De huidige paus schrompelt sinds maandag echter definitief ineen tot ‘gewoon’ de hoogste bestuurder van ‘die katholieke kerk’.

Iemand op Twitter zei het treffend: ‘O, de paus is dus geen Dalai Lama.’ Nee, inderdaad. En de vraag is of dat erg is. ‘Uitstraling’ en ‘charisma’ werken ook verhullend en ze immuniseren leiders voor kritiek. Dit geldt ook voor Obama, die zijn retorische idealen maar nauwelijks kan of wil verzilveren, en ook voor de Dalai Lama, die zich verstrikt in tal van ideologische compromissen.

Lof en waardering dus voor de man die straks weer ‘gewoon’ Josef Kardinaal Ratzinger heet. Nu moeten uit zijn ontnuchterende zienswijze op zijn ambt nog de onvermijdelijke consequenties worden getrokken. De kerk kan natuurlijk het gebrek aan mystiek gaan compenseren met nog meer ideologie en discipline. Ik hoop echter dat de RKK eindelijk eens volmondig het feit serieus gaat nemen, dat zij ook een ‘gewone’ organisatie is in de sociologische en bestuurskundige zin van het woord. Ik hoop dat het kiescollege straks inziet, dat de toekomstige hoogste gezagsdrager weer meer een manager moet zijn en zich meer moet kunnen bemoeien met de ‘back office’ dan de charismatische PR-man Woityla deed of de fijn besnaarde, dromende Jozef.

Ik hoop vooral dat de kerk gaat inzien, dat het maatschappelijk gezien bon ton is, dat je als gewone organisatie een heuse democratie invoert, met alles wat daarbij hoort aan verkiezingen en transparantie, controle en verantwoordingsplicht. (En laat ze niet komen aanzetten met de Heilige Geest, die haar zou ontheffen van het gebruik van ‘wereldse instrumenten’, want diezelfde Geest bedient zich in de RKK nu ook van gewone, bureaucratische procedures.)

***

Een democratische kerk zal zich trouwens ook niet meer hoeven opwinden over de blunders en flauwiteiten van de media. En daarmee komen we op het tweede trefwoord van de afgelopen week: de ergernis over de berichtgeving en commentaren. Een democratische kerk en een democratisch bestuur dwingen respect af en worden meer serieus genomen dan een instituut dat door eigen toedoen de risee wordt. En als de kerk na de broodnodige democratisering nog steeds af en toe mikpunt van spot of vertekende beeldvorming is – en dat zal onvermijdelijk gebeuren – zal ze met relativeringsvermogen vaststellen, dat dit nu eenmaal hoort bij het spel. En ze zal erkennen dat zelfkritiek, hervormingsgezindheid en humor de beste wapens vormen tegen ontsporende ironie of vertekende beeldvorming.

Geef een reactie