Een brief aan paus Franciscus van een onverbeterlijke katholiek

Goede paus Franciscus,

Met enige schroom schrijf ik u deze brief. Die schroom vloeit niet zozeer voort uit het ontzag dat ik heb voor uw persoon en uw functie. U bent immers een toegankelijk mens en u bent er in korte tijd in geslaagd om uw ambt tot aanraakbare proporties terug te brengen. Modieus uitgedrukt: u bent een knuffelbare paus.

Waarom dan wel die schroom? Welnu: ik aarzel om u lastig te vallen met een onderwerp dat niet de grootste prioriteit en urgentie lijkt te hebben, afgezet tegen andere bestuurlijke problemen in de kerk en tegen de dringende mondiale vraagstukken, waarvoor ook u zoveel oog heeft. Met andere woorden: ik vraag me af of ik u niet benader met een luxeprobleem. Bovendien: ik wil de pret niet bederven van al diegenen die zich terecht bemoedigd voelen door uw bezielende optreden.

Ik trek de stoute schoenen toch maar aan. Want er ligt mij – en ongetwijfeld veel andere rooms-katholieken – erg veel op het hart. Juist uw benaderbaarheid wekt de hoop, dat ik hieraan eindelijk lucht kan geven. Aangezien u wordt geprezen om uw grote bestuurlijke inzicht en uw gezonde leiderschapsinstinct, meen ik overigens dat u aan een half woord genoeg zult hebben. Ik houd het daarom ook maar kort.

Goede paus Franciscus, veel mensen in de kerk hebben blauwe plekken op hun ziel. Over die kwetsuren is al sinds een halve eeuw veel gesproken. Sommigen menen dat dit gesprek zijn tijd heeft gehad, dat het onderwerp ervan alleen nog maar af en toe wordt opgerakeld door verbitterde zielen en dat het een ‘westers’ onderwerp is. Mijns inziens is de ernst van dit onderwerp echter alleen maar toegenomen – en raakt het de wereldkerk.

Mensen die zichzelf mondig en gekwalificeerd genoeg achten, om hun geloofsleven naar eigen inzicht vorm te geven, voelen zich miskend en gekleineerd door de bevoogdende en bemoeizuchtige, grillige en kille bestuursstijl van uw voorgangers , de door hen benoemde bisschoppen en een groot deel van de clerus. Uitgerekend diegenen die zich met hart en ziel, met hoofd en handen inzetten voor de kerk – als vrijwilliger of beroepskracht – stoten vaak op pijnlijke manier hun neus en worden bij herhaling geschoffeerd of geïntimideerd.

Dat gebeurt op locaal niveau, in de Nederlandse parochies bijvoorbeeld, waar het sociale en kerkelijke weefsel van de vrijwilligersorganisatie niet zelden aan flarden wordt gerukt door onwetende nieuwbakken priesters of door een ondoordacht fusiebeleid. Er zijn echter ook kwesties die dat locale niveau overstijgen. Zo is het nauwelijks nog uit te leggen dat theologen, opinieleiders en andere denkers voortdurend moeten vrezen voor verklikkerij, censuur en regelrechte bestraffing (tot en met broodroof) en daardoor overgaan tot zelfcensuur, vertrek uit de kerk of ‘innere Emigration’. Ook is niet meer inzichtelijk te maken dat er onversneden geslachtsdiscriminatie plaatsheeft in het personele beleid van de kerk en dat niet relevante criteria ertoe leiden dat competente mensen een functie mislopen of verliezen.

Dit alles leidt tot grote persoonlijke drama’s. Hiermee gaat bovendien een institutioneel probleem gepaard. De rooms-katholieke kerk – die in bepaalde (niet alle!) maatschappelijke discussies nog aanzien heeft vanwege haar morele standpunten en vanwege de moed waarmee deze worden verkondigd – wordt in de samenleving nauwelijks nog serieus genomen vanwege haar achterhaalde interne structuren. Menige katholiek voelt zich een risee.

Goede paus, u heeft de dranghekken verwijderd. Maak nu alstublieft ook het keurslijf los waarin wij katholieken ons bevinden. De kerk zal weer meer serieus worden genomen, als zij volwassen mensen meer serieus neemt.

In dat verband wil ik nog een – door menigeen als achterhaald beschouwd – vraagstuk onder uw aandacht brengen. Waarom is het ondenkbaar dat de katholieke kerk, als één van de grootste en als één van de meest fijnmazig gestructureerde organisaties ter wereld, in haar eigen midden een vorm van transparante democratie invoert?

Ik ken uiteraard het argument van de tegenstanders. De kerk – zo luidt dit – is een instituut met een bovennatuurlijke oorsprong. Daarbij past het niet om beleid te bepalen en bestuursposten te verdelen door het ‘tellen van neuzen’ (sic!). De Heilige Geest bedient zich niet van dergelijke ‘wereldse’ procedures. U zelf, goede paus, wordt inmiddels geprezen als een rationeel manager. Dan zult u dit tegenargument waarschijnlijk evenmin als ik erg serieus kunnen nemen. Vanouds immers wordt er in de kerk ook bestuurd langs gezonde bureaucratische wegen. Charisma zonder bureaucratie is immers blind. Er wordt in de kerk vergaderd; er worden coalities gesloten en meerderheden gevormd; er worden – niet in de laatste plaats door u – adviezen ingewonnen en belangen afgewogen enz. Waarom kan de kerk dan niet consequent de volgende, logische stap zetten en – geleid door vertrouwen op mensen en op de Heilige Geest – democratische procedures invoeren?

Of heeft de kerk zo veel te vrezen van democratie? Natuurlijk: er worden veel dwaze standpunten verkondigd, ook door sommige minderheden, dissidenten en oppositievoerders in de kerk. Ik voel me eerlijk gezegd zelf ook niet altijd thuis bij de ‘onderstroom’ – in theologisch opzicht en qua levensgevoel. Maar mijns inziens vormen open discussie, debat en argumentatieve dialoog nog altijd de beste weg om rijpe visies van onrijpe te onderscheiden. Democratische instituties vormen daarvoor een beproefd en vooralsnog onovertroffen podium. Ze zijn bovendien te edel om af te doen als ‘neuzentellerij’ en allesbehalve beneden de stand van de kerk.

Ik zou het kort houden, lieve paus Franciscus. U heeft het druk genoeg als loods van de loodzware oceaanstomer van de kerk. Ik wil dan ook afsluiten met het oprecht uitspreken van mijn vertrouwen en van de (door uw eigen optreden gewekte) hoop dat ook deze ogenschijnlijk secundaire problematiek uw volste aandacht heeft.

Met een hartelijke groet van een onverbeterlijke katholiek,

Eric Corsius

Geef een reactie