De troost van speelruimte

Het feit dat mij werd verzocht om een stuk te schrijven over het onderwerp ‘troost’ vervulde mij met verbazing. Ten eerste zijn er al boeken vol geschreven over troost, door psychologen en therapeuten, godgeleerden en wijsgeren, goeroes en door zichzelf benoemde spirituele gidsen. Waarom zou ik een druppel toevoegen aan deze zee aan wijsheid? Natuurlijk: ik kan de fenomenoloog gaan uithangen en het woord troost aan alle kanten onderzoeken. Waarom echter zou ik op een dilettanteske manier doen, wat grote geesten als Cornelis Verhoeven op onnavolgbare en meesterlijke wijze reeds hebben gedaan?

Mijn verbazing werd echter vooral ingegeven door iets anders. Ik acht mezelf allesbehalve een autoriteit op het gebied van de ‘zachte’ of ‘warme’ waarden waarvan troost er één is. Mensen die mij menen te kennen kwalificeren mij als afstandelijk en ironisch, cerebraal (hetgeen abusievelijk vaak wordt verward met rationeel, maar dit terzijde) en estheticistisch (excusez le mot). Enfin: als u de voorafgaande zin heeft gelezen, zult u met deze kwalificatie wel instemmen. U zult mij dan tevens bijvallen als ik beweer dat een ‘soft’ woord als troost niet ‘mijn ding’ is.

Toch liet ik het niet op me zitten. Ik aanvaardde de opdracht nederig en gelaten, al was het maar omdat ik, als het erop aankomt, schrijfopdrachten niet durf te weigeren – uit een vreemd soort verlegenheid. Tegelijk zocht ik steun bij iemand die voor mij een autoriteit is: de Duitse schrijver Thomas Mann. Die had immers overal een mening over, zonder dat hij ooit eenduidig en definitief uitsluitsel gaf over wat hij nu werkelijk dacht. Dat ik op het idee kwam, Mann te raadplegen, hing samen met het toevallige feit dat ik onlangs zijn late essay over Friedrich Schiller las. Juist in dit essay, een jaar voor zijn dood geschreven, valt op een cruciaal punt het woord troost. De samenhang waarin dit gebeurt is interessant.

[…]

Lees verder op De  Bezieling.

 

Geef een reactie