De strijd der eenzijdigheden

Het was feest! We leven in een dermate Bijbels doordesemd en christelijk doordrenkt land, dat we ieder jaar op een voorjaarsdonderdag de bedrijven sluiten, om ongestoord te kunnen mediteren en jubelen over de hemelvaart van Jezus. Ik bracht deze dag van bezinning en uitzinnige religieuze vreugde door in Haarlem. Terwijl mijn wederhelft de tijd met zangvrienden verdreef in een repetitielokaal (tja), liep ik drie musea af. (Ik ben ongedurig en ongeduldig, dus als ik alleen ben schiet een museumbezoek altijd lekker op.) Zo stond ik in het Teylers Museum enkele minuten, overmand door emoties, te kijken naar de stoffelijke resten van een heuse Plesiosaurus (jawel). Een lang en hevig gekoesterde hunkering was daarmee in vervulling gegaan. Daarna ging ik spoorslags naar het Frans Hals Museum en de Hallen.

Ik was in het Frans Hals Museum – nu even serieus – erg onder de indruk van een klein doek van Saenredam, dat net zo goed van Lissitzky had kunnen zijn. Ook trof mij een grote lap van de late Hals, die niet zou misstaan in een collectie met sociaal realisme. Dat vind ik nou mooi aan kunst: ze haalt je verwachtingspatroon onderuit en drijft de spot met elke categorie. Hebt u al het minimalisme gehoord in F. Couperins Barricades mystérieuses? Hebt u de jazz al gehoord in Beethovens laatste pianosonate? Dat bedoel ik dus. Kunst laat altijd een onverwacht gezicht zien. Als we dat tenminste willen zien. Als we ons tenminste niet laten manipuleren door het gezichtsbedrog van onze voorkennis en onze aangeleerde indelingen.

In die zin is een schrijver als Thomas Mann (ja hoor, daar is hij weer!) ook zo ongrijpbaar. Mann was een mens van tegenstrijdigheden en tegenspraken. Hij koesterde verschillende zielen in zijn borst, die elkaar hinderlijk in de weg zaten. Hij was niet zozeer ‘veelzijdig’ (want veelzijdigheid kan gepaard gaan met innerlijke harmonie) als wel een vat van eenzijdigheden die allemaal de overhand wilden krijgen. De boventoon werd daarbij gevoerd door de twee gezichten van de kunstenaar en de moralist.

Daarin zat overigens wel een ontwikkeling: de politiek abstinente en hautaine estheet legde het – na het nodige tegenstribbelen – uiteindelijk af tegen (of moet ik zeggen: ‘bij met’?) de politiek betrokken ethicus. Maar de twee gezichten bleven tot het eind herkenbaar. Helemaal gewonnen gaf de estheet in Mann zich nooit. Daarom zijn de Zauberberg en Dr Faustus ook zo bipolair van opzet – zij het ieder op een eigen manier. Sommigen verdedigen ook de stelling dat Dr Faustus is geënt op Dr Jekyll en Mr Hyde. In de twee hoofdpersonages toont zich, beweren ze, de Januskop van Mann zelf.

Nu is er iets eigenaardigs. Tijdens het werken aan Dr Faustus ontdekte Mann een hoofdwerk van Kierkegaard. Dat was Of-Of (tja, zo heet dat nu eenmaal). Hij verwijst in zijn roman terloops naar de muziektheorie in dit boek. Nu ik zelf Of-Of herlees, frappeert me dat er meer parallellen zijn. Dat was Mann zelf niet ontgaan. Er kon echter geen sprake zijn van beïnvloeding (want Mann las Kierkegaard pas in een laat stadium van het schrijven). De overeenkomsten zijn dus een kwestie van louter toeval of  – zoals Mann het liever zelf zei – van onbewust onderling verband. Opmerkelijk is in elk geval dat Dr Faustus zowel qua vorm als qua inhoud veel gemeen heeft met Of-Of.

Dat heeft nu precies te maken met die ‘twee gezichten’. Met enige goede wil (of met op hol geslagen interpretatiedrang, zo u wilt) zie je in beide boeken, hoe de burgerlijke ethicus – vanuit sympathie – probeert om de wereldvreemde (en zelfs wereldvijandige) estheet overstag te doen gaan ten gunste van zijn eigen standpunt. De ernst probeert het spel te bedwingen. De boeken zijn een weergave van de worsteling van Kierkegaard en Mann zelf. Bij Mann is dat het gevecht met en van de eenzijdigheden in zijn borst: de onderlinge strijd van zijn ‘gezichten’. Het is een strijd of – beter – een moeizaam vredesproces met een toenemend, maar nooit onaangevochten overwicht van de ethiek.

Was Thomas Mann een existentiefilosoof tegen wil en dank? In elk geval blijft het lezen van Mann – zijn biografie en zijn werk – een heilzame confrontatie. Hij behoedt me ervoor om hem als kunstenaar in een schema te plaatsen. Hij houdt me ook een spiegel voor, evenals Kierkegaard: een spiegel waarin ik mijn eenzijdige gezichten herken. Hij confronteert me bovendien, net als Kierkegaard, met de urgentie om niet te blijven steken in de oppervlakkigheid van de estheet of (bescheidener) de speler in mezelf. Hij daagt me uit: niet om de speler in mij de nek om te draaien, maar wel om deze te brengen tot de liefdevolle omhelzing door de ethicus en hem zo op een hoger plan te brengen.

Ga er maar aan staan. Ik hoop maar dat ik net zo oud word als Thomas Mann.

Geef een reactie