De speelruimte van symbolen

Naar aanleiding van Prinsjesdag

En hij was er weer: de Derde Dinsdag van September, dat jaarlijkse mengsel van onheilsprofetie en calvinistencarnaval dat de welluidende, atavistische naam Prinsjesdag draagt. Er is op deze dag één ding, waarop ik me ieder jaar in het bijzonder verheug. Wij noemen dat thuis ‘de Glimp’. Dat moet ik even uitleggen.

De makers van het televisiejournaal (dat weten u en ik) hebben de teksten voor het commentaar op het ceremoniële deel van deze dag natuurlijk al het hele jaar op de plank liggen. Het enige waar ze rekening mee moeten houden, is de wispelturigheid van ons zeeklimaat. Met het oog daarop hebben ze enkele varianten voorgekookt.  Als het op Prinsjesdag slecht weer is en er een gesproken commentaar moet worden toegevoegd aan beelden van Oranjeklanten die met regenkapjes en poncho’s staan te blauwbekken achter de dranghekken, kun je er gif op innemen dat de nieuwslezer(es) min of meer letterlijk de volgende klassieke zin uitspreekt: “Duizenden belangstellenden trotseerden vandaag de weersomstandigheden, om een glimp van de vorstin op te vangen.” Bij redelijk tot goed weer – zoals dit jaar – moeten we het helaas doen zonder dat ‘trotseren’. Maar de ‘glimp’ komt gegarandeerd enkele malen voor in de voice-overs. Dat is dan de teerspijze waarmee we het voor een jaar moeten doen, in de hoop dat het volgend jaar wel weer oudhollands regent en stormt.

Enfin, de ‘kleurrijke’ traditie als zodanig blijft fier overeind. Nu is er met deze ‘eeuwenoude’, uit de negentiende eeuw stammende tradities wel iets merkwaardigs aan de hand. Enerzijds geven we ons er gretig aan over en dompelen we onszelf onder in een uit onze hersenstam opwellend patriottisme. Anderzijds doen we dat ook met een knipoog. Met enige ironie slaan we onszelf gade en becommentariëren we meedogenloos onze eigen kuddekoningsgezindheid. Daar heeft de Vaderlandse televisie zelfs iemand voor ingehuurd: Herman Pleij. Namens ‘Ons Allen’ mag hij deze sinterklasoloog de voyeur zijn van onze collectieve gevoelens. Ook dit jaar stond hij naast een microfoonmevrouw op veilige afstand de ‘balkonscene’ te observeren en gaf hij bespiegelingen ten beste over wat wij met zijn allen nu collectief zaten te voelen. De reflexieve gelaagdheid bereikte een extra complexiteit doordat Pleij – in en vanuit zijn waarnemersrol – op droge toon bij zichzelf vaderlandse zielenroerselen constateerde, op het moment dat Hare Majesteit de voor haar paleis toegestroomde menigte toewuifde.

Ik houd wel van symbolen, ceremoniën en rituelen – in dit geval en in het algemeen. Daarom ben ik – een rudimentaire rest republikeins verleden als PSP-er ten spijt – onze monarchie gunstig gezind. Het mooie van symboliek is immers de paradox, die ik hierboven aanroerde. Enerzijds staan symbolen onder stroom en zijn ze geladen met betekenis en gevoelens. Dat is een riskant aspect. Aan de andere kant zijn symbolen echter ook en vooral relicten en uitgeholde vormen, waaruit de oorspronkelijke betekenis en gevoelswaarde zijn weggevloeid. Zij herinneren aan iets, wat allang afscheid heeft genomen. Daardoor zijn symbolen veel minder gevaarlijk dan het lijkt. Wij zijn het – als je het goed bekijkt – zelf die er stroom opzetten (bijvoorbeeld door moord en brand te roepen als er iemand met zijn vingers aan komt). Symbolen bijten dus niet en dringen zich niet op. Ze bieden zelfs de speelruimte om er onze betekenis aan te hechten en nieuwe betekenissen aan te verbinden – eventueel met de nodige ironie. Zo kan bijvoorbeeld – om bij het oorspronkelijke onderwerp te blijven – onze koningin het symbool worden van onze democratische staatsvorm met zijn constitutionele ankers. Kortom: de kracht van symbolen zit in de vorm, niet in de inhoud.

Ik vergelijk het wel met monumentale kerkgebouwen die – om een recent begrip uit de architectuur te gebruiken – ‘intelligente ruïnes’ zijn. Ze trotseren de eeuwen door hun openheid voor ‘polyvalentie’  – een door Vlamingen gebezigd woord, dat treffend uitdrukt wat wij wat ook wel aanduiden met het zwakkere woord ‘multifunctionaliteit’. Het is alsof de bouwmeesters ze expres zo hebben ontworpen, dat ze ook hun waarde blijven houden als de oorspronkelijke bestemming wegvalt. Een nieuwe functie zit hun als gegoten. De architecten zijn het verval van de geschiedenis te slim af geweest. Hun gebouwen zijn daarmee een mooie metafoor voor religieuze symbolen in het algemeen.

Des te meer verwondert het me overigens dat kerkvernieuwers vaak eerder bezig zijn met het vervangen van symbolen en vormen, dan met het opladen ervan met nieuwe betekenis en inhoud. Ik observeer dit ook een beetje in de onrust die de laatste tijd heerst in de Protestantse Kerk in Nederland. We hebben in de zomer verhitte discussies gehad rond manifesten en dezer dagen werd de noodklok geluid over de verburgerlijking van de zondagse preek, welke verburgerlijking mede debet zou zijn aan de kerkverlating. (Bij deze analyse kon ik als halve historicus overigens een déjà-vu-gevoel niet onderdrukken, zo min als bij de jonge dominees die afgelopen zomer kortstondig en waarschijnlijk vergeefs aan de grondvesten rammelden). De suggestie bij dat al is dan veelal, dat we iets moeten doen aan de ‘vorm’ (i.c. die inruilen voor een nieuwe) en dat we moeten terugkeren naar de ‘eigenlijke inhoud’ en de ‘kern’ – terwijl ik denk dat we die inhoud juist zeer grondig ter discussie moeten stellen en daarbij diep moeten snijden in ons theologische vlees. Zover durft trouwens ook niet de vrijzinnige Tom Mikkers te gaan in zijn Religiestress.

En dan de onvermijdelijke Mart-Smeetsvraag: ‘Mag ik dat zeggen? Als katholiek?’ Ja. Dat mag ik zeggen. En ik durf het ook te zeggen, omdat ik erop vertrouw dat de onderzoeks- en discussiecultuur in protestantse kring vitaler en stressbestendiger is, dan in de kerk waarin ik ben opgegroeid: die ‘intelligentie ruïne’ die momenteel bezet is door krakers die een iets te hoge dunk hebben van zichzelf en de deurknoppen onder stroom hebben gezet.

Geef een reactie