De republiek: een kwestie van smaak

Vanochtend ben ik opgestaan als republikein. Daar sta ik zelf nog wat van te kijken.

Nu moet u niet denken, dat aan deze metamorfose een groots en meeslepend innerlijk gevecht is voorafgegaan. Ik heb niet langdurig tal van staatsrechtelijke en politieke voors en tegens of mitsen en maren tegen elkaar afgewogen. Er zijn niet onverhoeds stormen van verontwaardiging in mij opgestoken over het ondemocratische karakter van het erfelijke koningschap of over het onrechtvaardige van aangeboren rijkdom. ‘Ze’ mogen het hebben: de poespas en het geld. De ideologische argumenten tegen de monarchie hebben voor mij een even muffe geur en belegen smaak als datgene waartegen zij in stelling worden gebracht.

Ik heb me ook niet moeizaam ontworsteld aan een diep gewortelde gehechtheid aan het koningshuis. Er heeft geen omslag plaatsgevonden van liefde in haat. Ten diepste laat de monarchie mij namelijk onverschillig. Deze lauwheid is mij met de paplepel ingegeven en begon ooit in de vorm van hartgrondige verveling. De koningin: dat was in mijn kindertijd het idool van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen, een mevrouw met een dure bloemetjesjurk en foute uilenbril, die op de saaiste vrije dag van het jaar op TV verscheen, terwijl ze op het bordes stond van een witte Gooise villa en vol berusting en toegeeflijkheid haar gazon liet vertrappen door volksdansend Nederland. Of je wilde of niet: je moest ernaar kijken. Erger nog: je moest daarbij ook nog luisteren naar de farizeïsche NCRV-stem van Dick Passchier die één en ander van commentaar voorzag, onderbroken door vaderlandse muziekschoolliedjes van het niveau eerste-blokfluitles.

Zoals aangeduid ontwikkelde zich deze verveling zich tot onverschilligheid. Door deze schouderophalende houding heb ik geen haat jegens de monarchie ontwikkeld, maar haar evenmin ooit in mijn hart kunnen sluiten – óók niet toen Beatrix het koningschap ‘moderniseerde’. Ze veroverde wel kortstondig mijn hart, de Koningin met het Kogelvrije Kapsel, toen ze verklaarde dat haar moeders (en haar zwagers) verjaardag Koninginnedag zou blijven. Wat was dat een heerlijk gehaaide streek: om het zo te regelen dat je eigen verjaardag iets voor jezelf blijft, zonder ongenood vreemd volk over de vloer. En wat een hilarische vondst was het, toen ze besloot voortaan zichzelf bij anderen uit te nodigen op 30 april en zich bij anderen thuis te laten fêteren: going dutch ten top. Die schalksheid kon me wel even bekoren. Ik heb me echter nooit kunnen inleven in die mensen, die elk jaar weer op de derde dinsdag van september ‘de weersomstandigheden trotseerden om een glimp van de gouden koets op te vangen’  – om een door het TV-journaal gemunte, klassieke formulering aan te halen.

Kortom: Monarchie, koningschap en oranjeklanterij hebben me altijd koud gelaten. Ze konden euforie noch knarsetandend verzet bij mij opwekken. En zoals ik anderen hun voetbalinterlands en songfestivals gunde – een dankzij grote innerlijke strijd op mijzelf bevochten verdraagzaamheid! – zo gunde ik anderen hun Koninginnedag alsmede de dranghekkenpret van Prinsjesdag of van vorstelijke bezoeken in den lande. Zolang ik de polonaise zelf maar kon ontspringen. Al met al lag er in mij tot op heden geen voedingsbodem voor een radicale keuze voor of tegen de monarchie. Nu is er echter een grens bij mij overschreden. En wel op grond van iets heel anders dan politieke principes of gevoelens.

Ter ere van de ophanden zijnde troonswisseling mobiliseert onze regering, door tussenkomst van een comité onder leiding van Hans Wijers, al het sentimentele en banale dat ons volk rijk is. De voormalige verffabrieksdirecteur organiseert een Koninklijke kleurwedstrijd, een maak-de-slagzin-af-prijsvraag, een rijmkampioenschap en een landelijke gymnastiekoefening. Op 30 april zetten wij de troonsopvolging luister bij met optredens van (onder meer) een André-Hazes-lookalike en Trijntje Had-mijn-vader-zich-maar-aan-het-priestercelibaat-gehouden Oosterhuis. In een tijd waarin onze culturele sector afbrokkelt, in een tijd waarin de politiek het lef heeft om enkele tot de wereldtop behorende muziekensembles aan de straat te zetten (om maar wat te noemen): in zo’n tijd leent ons koningshuis zich voor de ultieme vertrossing van een dag, die ook een cultureel hoogtepunt had kunnen (en moeten) zijn – tegen wil en dank wellicht, maar ook zonder vruchtbaar verzet. En ik realiseer me ineens dat met prins Claus destijds het culturele geweten van ons koningshuis is gestorven.

Mijn politieke principes en gevoelens kunnen tegen een stootje – ook tegen onverdiende, want aangeboren rechten op de troon, ook tegen de keuze voor jetset-babes als huwelijkspartners en zelfs tegen de aankoop van buitenhuisjes in Zuidelijk Afrika. Maar met smaak valt niet te spotten. Ik laat me niet infantiliseren en kan me niet verzoenen met een van hogerhand aangewakkerde banalisering. Leve de republiek!

2 thoughts on “De republiek: een kwestie van smaak



Geef een reactie