De mens is onderdeel van een clichéfabriek. Of niet?

Na het lezen van Döblins roman Berlin Alexanderplatz (1929), dringt zich één schrikbarende interpretatiemogelijkheid op: de mens is een onderdeel van een immense clichéfabriek. De roman zegt het zelf aldus: “Het is met de wereld zo gesteld, dat de meest onnozele spreekwoorden gelijk krijgen.”

De ironie zit er natuurlijk in, dat Döblin zich met deze uitspraak op zijn beurt van onelinerstaal bedient. En dat doet hij voordurend. De innerlijke monologen van de personages en de commentaren van de verteller zijn doorregen met oubollige spreekwoorden, alsmede met uit hun verband gerukte regels uit schlagers, strijdliederen, politieke toespraken en reclameteksten. Daarnaast is de woordenstroom hier en daar doorspekt met flarden tekst uit de bijbel en serieuze kranten, uit de sensatiepers en boulevardbladen.

De roman roept met deze verteltechniek de beangstigende suggestie op dat de woorden en gedachten van literaire helden en hun vertellers – hoe verheven of diepgravend bedoeld ook – ondergaan in een brij van – meer of minder serieus te nemen – gemeenplaatsen, ja: dat literaire personages en auteurs bijna niet anders kunnen dan die brij herkauwen.

Döblin houdt ons opzettelijk een spiegel voor en we mogen het bovenstaande dus gerust verbreden tot een algemene uitspraak: wij mensen praten en denken alsof het gedrukt staat. We praten de taal na van de affiches en vlugschriften, goedkope kranten en van het meest gedrukte boek ter wereld: de bijbel. Wij gebruiken de taal niet vanuit een soevereine positie, om het diepste en hoogste uit te drukken. Nee: de taal is onze moeder en is ons te machtig. Ze is ons op het lijf geschreven, op het “vel waarin we nu eenmaal wonen”.

Misschien gaat deze postmoderne uitleg echter te ver. Misschien is de taal op een bepaalde manier wel degelijk een symptoom van de realiteit in plaats van haar moeder. Daarop lijkt de geciteerde oneliner te duiden, die beweert dat platitudes gelijk krijgen. Als clichés zoals “Dat is de loop der dingen” het winnen van heldhaftige pogingen om het lot te beïnvloeden en te keren: dan weerspiegelt dit een metafysisch gegeven. Er is zoiets als een banaal noodlot, dat als een zwart gat de taal binnenzuigt en vermaalt tot een grauwe brij zonder idyllen en idealen, nuances en lichtpuntjes. De taal is gedoemd om nederig amen te zeggen op de brute werkelijkheid en te verworden tot het eeuwig gemurmel van een troebele bergbeek.

Gelukkig, maar ook op een onhandig laat moment, laat Döblin in zijn roman nog de mogelijkheid van zingeving open. Door een kiertje schijnt een beetje licht naar binnen. Dat gebeurt echter, zoals gezegd, bij het scheiden van de markt.

***

Wat Döblin ook pretendeerde en ambieerde op wijsgerig gebied: feit is dat hij één van degenen is geweest die de taal van de ‘hoge cultuur’ hebben genivelleerd en schaamteloos hebben vermengd met de taal uit de populaire of ‘lage’ cultuur. De deftige Duitse Bildungsroman is via knip-en-plak-werk onderdeel geworden van de voortdurende stroom van gemeenplaatsen van de industriële samenleving. Sociologisch uitgedrukt: de urbane massacultuur (waarvoor Berlijn een icoon was en is) heeft zich als een onstuitbare stortvloed meester gemaakt van Het Boek. Het is niet langer voorbehouden aan verstilde studeervertrekken of buitenverblijven om de bakermat te zijn van een kloeke Duitse roman.

Berlin Alexanderplatz staat uiteraard in een traditie, wat dit betreft. Mondjesmaat deden anderen vóór Döblin het zelfde – bij uitstek in de muziek, zoals Mahler die in zijn symfonieën met opzet banaliteiten citeerde en zelfs als bouwstenen gebruikte. En inmiddels is het vrijwel gemeengoed geworden om de kunstenaars en kunstminnaars, voor zover zij nog en veilig heenkomen willen zoeken in ivoren torens, te schokkeren en te schofferen en om de popcultuur binnen te doen dringen in het allerheiligste.

Het is gemeengoed geworden – op het afstompende en uitgeleefde af. De musea voor hedendaagse kunst liggen er verlaten bij met hun zichzelf voortdurend kopiërende projecten, die erop zijn gericht om de ‘hoge cultuur’ te ondermijnen en te laten onttronen door de ‘lage cultuur’. Ze zijn als roependen in een woestijn met hun voorspelbare schokeffecten, met hun – ik citeer vrij de veelal onleesbare tentoonstellingscatalogi – pogingen ‘om paradoxen te laten zijn wat te zijn’, ‘om meer vragen op te roepen dan te beantwoorden’ en ‘om contrasten en contradicties te laten bestaan’.

Wat ooit bevrijdend, emanciperend en schokkerend was, is inmiddels een cliché van een cliché geworden. De massacultuur hoeft immers niet meer een provocerende mesalliance aan te gaan met de hoge cultuur, om te worden geëmancipeerd. Inmiddels is de popcultuur immers gevestigd geraakt, in hogere kringen de bon ton geworden en aldus meer dan voldoende geëmancipeerd. De producenten ervan zijn zelfs tot een elite in materiële zin geworden. De ooit zo verfoeide ivoren toren: dat is nu de jetset van mediamagnaten en popartiesten. Wie het opneemt voor massacultuur trapt een open deur in – of laadt op zijn minst de verdenking van opportunisme op zich.

***

Bovendien zoeken de consumenten van popcultuur niet de confrontatie op en zijn zij niet uit op een robbertje vechten. Want ook dat is nog een veel voorkomend misverstand bij sommige conservatoren – overigens een merkwaardige aanduiding van de beroepsgroep in dit verband. Ze beschouwen de musea als een gevechtsarena, waar indringende maatschappijkritische vragen worden gesteld en misstanden aan de kaak – onder andere door middel van nieuwe combinaties van massacultuur met museale kunst.

Inmiddels echter blijkt de Homo Popculturalis vooral datgene te zoeken wat kunstenaars nolens volens hebben moeten afleren: de ontsnapping aan de barre realiteit. Het durven wegdromen in fantasiewerelden en in gevoelens die te mooi zijn om waar te zijn: die guilty pleasure heeft zich verplaatst van de hoge naar de lage cultuur.

Het organiseren van droomvluchten: hierin en hiervoor was de kunst altijd goed. Helaas heeft ze dit terrein te veel prijsgegeven aan de kitsch – zoals de kerken met hun ‘realisme’ vrij baan hebben gegeven aan het klatergoud van de esoterie en de technocraten van de politiek ruimte hebben gecreëerd voor de linke blingbling van irreële utopieën.

Maar dat is allemaal weer een ander verhaal.

_____________________________________________

* De foto is genomen tijdens de tentoonstelling Three Blind Mice in het museum Dhondt-Dhaenens in Deurle (B).

 

Geef een reactie