De kater van het geloof

En weer ben ik verhinderd voor de jaarlijkse Nacht van de Theologie. Ik wens de vele theologen die komende zaterdag de bloemetjes buitenzetten een genoeglijk samenzijn toe – zonder dat zij er een al te grote kater aan overhouden. Dat laatste zal wel goed komen met al die dominees en pastores die op zondag in alle vroegte weer de hand aan de ploeg moeten slaan op Gods akker. Ik neem bovendien aan dat deze beroepsgroep, gewend om in een glazen huis te leven, zichzelf zal weten te bedwingen op de godgeleerdenorgie.

Nu ben ik zelf theoloog* en heb ik ervaren dat voor ‘ons soort mensen’ een kater in overdrachtelijke en meer abstracte zin wel degelijk een geleefde realiteit is. Ik bedoel daarmee de ervaring dat je geloof, ondanks dat je er je vak van maakt, zijn glans kan verliezen. Er bestaat zelfs een cliché, dat zegt dat theologie beoefenen de beste manier is, om van je geloof te vallen.

Komt dit misschien door een overdosis? Wie zich aan iets te buiten gaat, heeft er immers al snel zijn bekomst van. Theologen zijn echter niet per se grote eters of drinkers van datgene wat zij bestuderen. Net als wijnkenners slikken zij datgene wat zij proeven niet altijd door. Over iets nadenken is iets anders dan het zelf doen of ondergaan – en er aldus van genieten.

Komt het dan doordat je als theoloog te veel weet? Wie te lang in de keuken staat, verliest immers zijn of haar eetlust. Wie te veel achter de schermen kijkt, kan zich niet meer overgeven aan de magie van het theater. Zo is het wellicht ook gesteld met degene die te veel nadenkt over het geloof. Hij komt van een koude kermis thuis. Reflexief en beroepsmatig doende zijn met een aspect van het leven, hoeft echter nog niet de smaak te bederven. De passie voor de muziek blijft immers ook bij beroepsmusici ongebroken en topkoks kunnen onbekommerd genieten van verfijnde gerechten.

***

Waardoor komt het dan, dat je geloof dof wordt als je als theoloog ermee bezig bent? Louter voor mezelf sprekende, kan ik het alleen maar als volgt verklaren.

Ik heb het geloof niet ‘doorzien’ en ben er evenmin op ‘uitgekeken’. Ik ben niet blasé of ontnuchterd over het geloof. Ik heb wel leren inzien dat authentiek geloof als zodanig ontnuchtering is. Geloof is immers bevrijding uit de infantiele symbiose met ‘god’ die we religie noemen. Geloof laat God voor wat Hij is enerzijds en zet de mens op haar of zijn plaats anderzijds**.

Geloof is niet: opgetild worden door een stormvlaag (‘inspiratie’ of ‘bevlogenheid’). Geloof is niet: innerlijk versmelten met de godheid (‘enthousiasme’). Geloof is niet: het in-je-element-zijn in een grote zee (het spreekwoordelijke ‘oceanische levensgevoel’).

Geloof is juist: op een windstille wereldzee wachten op een wending van het lot of roeien met de riemen die we hebben. Het is: door de goden verstoten zijn en aan land geworpen worden. Geloven is: leven met de ondraaglijke gedachte, dat God zelf wel uitmaakt of hij bestaat en ons een spiegel voorhoudt als we hem in het vizier willen krijgen.

Geloven is ronddolen in een uitgestorven kathedraal of in een gapende krater. De voorouders beweerden wellicht, dat de goden die krater ooit hadden veroorzaakt. Voor ons is hij slechts een gapende leegte, met niets anders gevuld dan eindeloze verantwoordelijkheid – maar ook met het grenzeloze vertrouwen dat het wel goed komt, zolang wij maar bij onze menselijke leest blijven en ons niet willen meten met de goden.

Misschien is de theoloog, die aldus zijn eigen lichtje uitblaast, een spelbreker. Het bovenstaande is echter meer dan een troosteloos en ontnuchterend inzicht. Het is, zoals gezegd, de onderkenning dat geloof zelf de ontnuchtering bij uitstek is. Geloof is de kater na het bedwelmende feest en het ochtendgloren dat ons wekt uit onze roes. Het is een geschenk van de goden aan ons nachtbrakers, die het opwekkende daglicht en de verkwikkende kilte van de ochtend zo slecht verdragen.

______________________________________________________

Zijdelings wil ik opmerken, dat het mij nog steeds moeite kost om mijzelf ‘theoloog’ te noemen. Het woord ‘theoloog’, dat voor mij gevoelsmatig dezelfde lading en het zelfde aura heeft als het woord ‘denker’, reserveer ik toch liever voor de grote geleerden op mijn vakgebied. Het is echter zo omslachtig om jezelf voortdurend te betitelen als ‘iemand die theologie heeft gestudeerd’ of om je van de echt groten te onderscheiden door jezelf te kwalificeren als ‘theoloog met een kleine th’ – ook al omdat je in dat laatste geval moet uitleggen waarom ‘th’ als één letter geldt etc. Met alle bescheidenheid noem ik mezelf dus maar ‘theoloog’. En waarom zou mijn beroepsgroep niet kunnen, wat psychologen en pedagogen wel kunnen?

** Merkwaardig genoeg leerde ik dit niet in de eerste plaats van de grote mystici en van denkers als Barth en Bonhoeffer. Het was ook en vooral de onderstroom van het volkskerkelijke milieu waarin ik opgroeide.

Geef een reactie