De ironie is de zuster van het heilige

De in Madrid verkrijgbare knuffeljezus

De in Madrid verkrijgbare knuffeljezus

De inwoners van Madrid hebben het toch maar goed. Dat gevoel houd ik over aan de bliksemvakantie die ik daar onlangs doorbracht.

Ten eerste mogen ze zichzelf aanduiden met een uiterst elegante benaming. Als inwoner van Eindhoven ben je gewoon Eindhovenaar. Prozaïsch hoor. De inwoner van Madrid heet Madrileen: wat een muzikaal en slank woord! Het rolt van de tong als je het uitspreekt. Dat wil ik ook. Maar maak maar eens iets moois van dat gortdroge ‘Eindhoven’.

Vervolgens hebben de Madrilenen een juweel van een kunstverzameling. Ze koesteren bovendien jaloers makende opvattingen over kunsteducatie. In El Prado trof ik – voor de grote werken op de vloer neergevlijd – hele peuterklasjes aan. De kinderen waren soms niet ouder dan drie jaar. Ze zaten – gekleed in t-shirtjes van een zelfde, opvallende kleur – oplettend te luisteren naar de uitleg van een El Greco, Velazquez of Titiaan.

Zo kan ik wel doorgaan. Madrid heeft bijvoorbeeld El Escorial: de geestelijke burcht, het melancholieke buitenverblijf waar Philips II zijn sombere devotie en introverte gevoelsleven botvierde. Je kunt daar fantaseren hoe onze erfvijand vanuit zijn vertrekken peinzend uitkeek over het weerbarstige landschap, hoe hij vanuit zijn slaapkamer het misoffer gadesloeg, hoe hij zijn religieuze verbeelding voedde aan de hand van een wandbekleding bestaande uit Vlaamse gobelins en schilderijen. (Oranje bloemen neerleggen bij zijn graftombe is trouwens niet geoorloofd. Bepaalde vormen van humor worden als tactloos ervaren.)

Over devotie gesproken: daar hoef je de Madrilenen niet altijd om te benijden. Deze neemt soms merkwaardige vormen aan. In de kerk van Jesús de Medinaceli leggen boetelingen in processie en vaak op hun knieën de moeizame weg af naar het miraculeuze Jezusbeeld boven het hoogaltaar. Ze kussen om beurten de voeten van dit beeld, waarna hun zonden door de Heiland (en de nagelaten zoenplekken door een aan deze lopende-band-arbeid toegewijde schoonmaakster) worden uitgewist. Soms loopt de boetedoening hoog op. Ik zag hoe een penitente halverwege haar boetetocht plotseling opstond uit haar geknielde houding, omdat haar GSM afging. Druk pratend beende ze de kerk weer uit. Zou ze nou weer helemaal opnieuw moeten beginnen? – vroeg ik me medelijdend af.

Ik schat dat deze devotie voor de Madrilenen even gewoon is als voor ons het aansteken van een kaarsje, maar toch… Mijn scepsis werd versterkt toen ik in de etalage van een religieuze boekhandel een knuffeljezus aantrof voor de kleintjes. Deze Jesusito was er in verschillen maten. Ook Maria was overigens in knuffelvorm verkrijgbaar. Voor elke smaak en elke bestedingsruimte wat wils.

Maar ach: de verbazing hierover valt in het niets tegen de jaloezie op het genoemde Prado. In het heiligste der heiligen van dit museum vind je Las Meninas van Velazquez: dat sympathiek hoogmoedige, ironische en ontregelende zelfportret van de schilder. Je staat als toeschouwer op de denkbeeldige plek van het koningspaar, dat door de schilder wordt geportretteerd. Je staat in de spiegel te kijken of staat in de spiegel zelf. Volgens mij is de bouw van Madrid ooit door hogere machten gepland, om dit kunstwerk te herbergen: dit werk dat reflecteert op het verschijnsel kunst zelf. In het hart van het allerheiligste ontlokt Velazquez ons een glimlach.

En zo hoort dat: de ironie is de zuster van het heilige.

velazquez-las-meninas

Geef een reactie