Eerbiedig aanstootnemen – Over de gelijktijdigheid van oud en nieuw

Mij overvalt de laatste weken een milde melancholie. Die milde vorm die – om aan te geven dat we haar niet al te serieus moeten nemen – ook wel wordt aangeduid als nostalgie of – met een ironisch-kritische ondertoon – als sentimentaliteit. Het weer zal me wel parten hebben gespeeld. Dit dompelde de historische plekken waar ik verbleef in een doffe mineurstemming. Zo was ik op een druilerige dag in het aan lagerwal geraakte – en zich daar momenteel moeizaam uit begevende – stadje Spa. Op een winderige en bewolkte dag verkeerde ik in Amsterdam. En vandaag bezocht ik herfstig Den Haag. Terwijl ik door de beslagen ruiten van de bus de trots opgepoetste sporen van Hollands geschiedenis voorbij zag trekken, neuriede ik zachtjes mee met Conny Stuart: Wat voor weer zou het zijn in Den Haag?

Nu zoek ik de nostalgie graag op, als ik op reis ben of boeken lees. Daarbij heb ik de voorkeur voor complexe vorm van nostalgie. Dat is iets heel anders dan de directe weemoed die zich – om een voorbeeld te noemen – vermeit in plaatjesboeken over een kleurrijk rooms verleden of die zich – erger nog – koestert aan de voor eeuwig gedoofde haarden in museumboerderijen. Om bij dat laatste voorbeeld te blijven: deze heemkundige erfgoedreservaten met hun houten klompen, koperen ketels en gehaakte mutsen –  gedenkplaatsen die als druppels water op elkaar lijken, of ze nu in het uiterste noorden van Finland staan of in de Provence, in Brabant of in Twente – laten me volstrekt koud. Ze wekken vooral verveling bij me op of lacherigheid, alsook het voldane gevoel van opluchting over het feit, dat die slechte oude tijd voorbij is. Nog drukkender echter zijn plaatsen waar de vergane glorie haar intrek heeft genomen, zoals het genoemde Spa. Daar mag een nieuwe Visconti een remake maken van de Dood in Venetië – met op de achtergrond een veel te langzaam en drakerig uitgevoerd Adagietto van Mahler. Maar ik ben er snel weer weg.

Nee: de nostalgische plekken die mij aantrekken, zijn plaatsen die herinneren aan dynamiek en vernieuwing. De nalatenschap van de ontwerpers en architecten uit het begin van de twintigste eeuw bijvoorbeeld: ze verplaatst me naar een tijd dat beklemmende muren werden weggebroken. Als ik in het Haags Gemeentemuseum van Berlage rondwandel, in de Philipscomplexen in Eindhoven of in Peutz’ warenhuisgebouw in Heerlen: dan ben ik onmiddellijk getuige van het fier de geschiedenis binnentreden van iets, wat nu gemeengoed is geworden (en helaas in duizend afgezwakte vormen is gekopieerd). Ik adem bevrijdingslucht in. Nee, voor mij geen knipmutsenmusea en pannenkoekenhuisjesgezelligheid. Mijn element is een stad als Wenen – het creatieve Wenen, wel te verstaan, dat rond 1900 ontlook uit de Habsburgse dufheid.

Wat deze nostalgie enigszins pikant maakt, is de paradoxale gelijktijdigheid van oud en nieuw. Als ik het Gemeentemuseum bezoek; als ik een boek lees over de avant-garde van honderd jaar geleden of over de maatschappelijke en kerkelijke doorbraken in de jaren zestig; als ik luister naar Le Sacre du Printemps of de Altenberglieder: dan maak ik enerzijds een droomreis in de tijd, anderzijds kom ik terecht op een aangenaam rumoerige bouwplaats. Alleen al die paradox heeft iets betoverends. Ik zal niet de enige zijn, die het zo vergaat. Velen lezen immers momenteel ook met smaak Florian Illies’ boek 1913.

De nostalgie van de gelijktijdigheid van oud en nieuw: ze is niet vrijblijvend. Het ontzag voor de nieuwheid van weleer mag zich niet beperken tot musealisering – al doen conservatoren dit gretig en, vanuit hun rol gezien, terecht. De avant-garde van ooit appelleert echter ook en vooral aan openheid voor het vernieuwende in mijn heden. Zo mag de ‘badkuip’ van het Stedelijk Museum het Museumplein ‘ontsieren’ als een op het trottoir geparkeerde auto: ik  wil hem ook zien als een nieuw ontdekte zwerfkei in het stedelijk landschap. Daar wil ik niet omheen. Ik neem er eerbiedig aanstoot aan.

O ja, voordat u daarover begint: ik vind gotische kathedralen ook geweldig en Vermeer nog steeds de beste schilder aller tijden. Maar dat is een ander verhaal. Of toch niet?

 

In Peutz’ warenhuisgebouw – een monument van innovatie – spiegelt zich de middeleeuwse kerktoren, stilistisch niet eens zo ver verwijderd.

In Peutz’ warenhuisgebouw – een monument van innovatie – spiegelt zich de middeleeuwse kerktoren, stilistisch niet eens zo ver verwijderd.

haags-gemeentemuseum-ii

Berlage laat je ademen. Wat je inademt, is pure vrijheid.

Gietijzeren vergane glorie in de badplaats Spa, weerspiegeld in de plassen die de meiregen achterliet.

Gietijzeren vergane glorie in de badplaats Spa, weerspiegeld in de plassen die de meiregen achterliet.

In Eindhoven kijkt opa Cuypers in de spiegel van 'jeugdhonk' Dynamo. Retrostijl versus een erfgenaam van de vernieuwende architectuur.

In Eindhoven kijkt opa Cuypers in de spiegel van ‘jeugdhonk’ Dynamo. Retrostijl versus een erfgenaam van de vernieuwende architectuur.

Geef een reactie