De achterkamertjes van Mozes

Preek, gehouden op 17 oktober 2021 in de remonstrantse kerk in eindhoven

Lezing: Exodus 31, 18 – 33,12

Leeswaarschuwing: deze tekst omvat 2000 woorden.

Nu de pandemie enigszins begint te luwen en beheersbaar lijkt, houden de geleerden zich bezig met nieuwe vraagstukken rond COVID19. Eén van die nieuwe onderwerpen is het verschijnsel ‘long covid’. Hiermee zijn de gevolgen bedoeld, die een infectie op lange termijn heeft, bijvoorbeeld in de vorm van chronische symptomen en beperkingen.

Ziektes zijn altijd geschikte metaforen. En zo rijst de vraag, of er misschien ook wel een collectieve vorm van ‘long covid’, in overdrachtelijke zin, bestaat. Nu de acute fase voorbij lijkt en we weer voorzichtig terugkeren tot de normaliteit, is er dan misschien iets onomkeerbaar veranderd in de samenleving? Er zijn misschien al enkele voorboden van wat ons te wachten staat. Zo kunnen we wel zeggen, dat de polarisatie in de samenleving – een polarisatie die er de laatste jaren al was – de laatste achttien maanden in hevigheid is toegenomen en scherper is geworden. Het wantrouwen in instituties, bestuurders en wetenschap heeft zich verbreed, verdiept en uit zich steeds agressiever. En de reactie hierop van zogenaamd weldenkende mensen is ook niet altijd tactisch en handig. Gaat deze polarisatie een vast bestanddeel worden van ons samenleven, postcorona?

Zoals gezegd: helemaal nieuw is dit fenomeen niet. Meer dan ooit wordt er de laatste jaren met argusogen gekeken naar onze bestuurders. Wat voeren ze in hun schild? En hebben ze het wel goed met ons voor? Er wordt geroepen om meer openbaarheid en zogenaamde transparantie. De kaarten moeten op tafel. Er wordt niet voetstoots aangenomen, dat het alleen maar integriteit is, wat de klok slaat. Dit hele verschijnsel is nogal dubbelzinnig.

Aan de ene kant hebben achterdocht en weetgierigheid een rationele, gezonde kant. Wantrouwen en nieuwsgierigheid zijn uitingen van betrokkenheid bij de politiek en de samenleving. Gezond wantrouwen voorkomt dat men onverschillig en ongeïnteresseerd is. En gezonde nieuwsgierigheid dwingt bestuurders dwingt tot rekenschap en verantwoording. En zijn er niet voldoende redenen te noemen voor gezonde achterdocht en voor de roep om transparantie? Ik noem enkele trefwoorden: de toeslagenaffaire; de manier waarop de wereld twintig jaar geleden, na de aanslagen in New York, betrokken werd bij oorlogen in het Midden-Oosten – met als uiteindelijk resultaat nog meer terrorisme en de terugkeer van de Taliban in Afghanistan; een potsierlijk, tenenkrommend en inmiddels levensgevaarlijk formatieproces in de Nederlandse politiek; financieel gerommel in de uitvoering van het Coronabeleid. Is er niet alle reden, om ook de politiek, op alle niveaus, bij alle vertrouwen waarvan de democratie leeft, tegelijk goed in de gaten te houden? Is er geen tijd voor een ‘nieuw sociaal contract’, zoals sommigen dat noemen?

Aan de andere kant is de argus-blik niet altijd rationeel en heilzaam. Vaak komt deze ook voort uit gevoelens, zoals wanhoop of frustratie. We hebben immers allemaal min of meer behoefte aan perspectief, zekerheid en houvast. Een perspectief, een zekerheid en een houvast, die de politiek en het bestuur niet bieden, althans niet voldoende bieden naar onze smaak. En dat kan ons wel eens razend maken. Dit heeft echter een tragische kant. Als bestuurders geen boter bij de vis geven, is dat niet altijd een kwestie van onwil of incompetentie. Het heeft ook ermee te maken, dat politiek en bestuur nu eenmaal niet alles kunnen. Ik herinner me nog goed de woorden van Pim Fortuyn, nota bene de Nederlandse populist van het eerste uur, die in zin verkiezingscampagne zei: “Ik kan niet al uw problemen oplossen!” De politiek kan niet alles weten. Ze kan evenmin alles doen. Ze heeft geen kristallen bol en geen toverstaf. Ze moet ook nee verkopen. Ze moet ook toegeven, dat haar plannen maar een beperkte houdbaarheid hebben en een hoog improviserend gehalte hebben.

Politiek kan dus niet alles bieden – maar daarbij blijft het niet. Het is nog erger: ze moet, als ze eerlijk is,  ook wat vragen van ons burgers. Ze  mag en moet van ons wat vergen. Ze mag en moet eisen aan ons stellen. (In het Duits heet dat zo mooi: ze kan ons iets ‘zumuten’.) Ze kan offers van ons vragen: een soberder consumptiepatroon bijvoorbeeld, omwille van het klimaat; hogere belastingen, om infrastructuur te moderniseren; tijdelijke beperkingen van onze bewegingsvrijheid, in het kader van pandemie-bestrijding – of in het afweren van andere gevaren. Uiteraard staat de politiek daarbij ook voor dilemma’s en afwegingen. Maar in elk geval is de politiek ook een vragende partij en niet alleen de aanbieder van oplossingen – een rol die zowel middenpartijen als populisten jarenlang maar al te graag hebben opgenomen.

En dit alles frustreert niet alleen de burger, die het gevoel heeft dat haar of hem stenen voor brood worden gegeven. Dit frustreert ook de politiek, die niet kan omgaan met de grenzen van de macht, met haar machteloosheid. Het verklaart wellicht de onwil van politici, om echte verantwoordelijkheid te nemen, zoals in Nederland op dit moment – en in Duitsland moeten we nog afwachten wat er gebeurt. Het verklaar wellicht ook, waarom er zo weinig jonge, getalenteerde mensen kiezen voor een politieke loopbaan.

Uit deze frustratie, uit deze machteloosheid ontstaat een merkwaardige reflex. Als de complexe en weerbarstige werkelijkheid de machtigen beperkt in hun zicht en in hun speelruimte… als onze vragen niet kunnen worden beantwoord en onze behoeften niet kunnen worden vervuld… als dat allemaal zo is: dan scheppen we toch gewoon een andere werkelijkheid? Zowel burgers als bestuurders lijken in deze val te trappen. We sluiten onze ogen voor de realiteit of denken haar weg. Corona bestaat niet of valt wel mee. Of we reduceren of retoucheren de complexiteit van de werkelijkheid, door zondebokken aan te wijzen of door onszelf makkelijke oplossingen voor te spiegelen. Als de feiten vervelend  zijn en moeilijk doen, dan kijken we toch de andere kant op of scheppen we desnoods toch nieuwe, alternatieve feiten? Daaraan doet de traditionele politiek helaas evengoed mee, als de burger. En zo houden we elkaar voor de gek.

***

Dit hoef je Mozes niet allemaal te vertellen. Het bekende verhaal van het gouden kalf is een klassiek verhaal over deze problematiek.

Met de moed der wanhoop en vage vooruitzichten is het volk, onder zijn leiding en bij nacht en ontij, weggevlucht uit een land, waarin het met de rug tegen de muur stond. (Het herinnert sterk aan de vertwijfelde menigte op het vliegveld van Kaboel enkele weken geleden.) De vlucht gebeurde nogal ongestructureerd. Het enige plan was de vlucht naar voren. En nu is het project in een nieuwe fase terecht gekomen. Hoe nu verder? Met een understatement kan nog worden gezegd, dat Mozes’ planning een kwestie is van ‘work in progress’. De route zowel als het doel worden onderweg uitgewerkt en geconcretiseerd. (Ook dit is heel herkenbaar, als we terugdenken aan de persconferenties op dinsdagavond in de afgelopen anderhalf jaar.) Dit is accuraat, moeizaam en tijdrovend werk, een kwestie van passen en meten, wikken en wegen, experimenteren en improviseren. Mozes trekt zich daarom, samen met intimi, af en toe terug in achterkamertjes, als het ware met een bordje ‘niet storen’ op de deur. Daar gaat hij in beraad met degene, die uiteindelijk het vage plan heeft geopperd, de Levende God.

Mozes heeft soms wel erg lang nodig voor zijn denkwerk en laat zich dan ook niet zien. Dit frustreert zijn achterban steeds meer en werkt zijn volksgenoten op den duur op hun zenuwen. De roep om transparantie wordt steeds luider. ‘Wat voert Mozes in zijn schild?’ En niet alleen de achterdocht en de wanhoop groeit. De perverse creativiteit in het scheppen van alternatieve feiten evenzeer. ‘Als er al geen God bestaat, die echt uitzocht en houvast biedt, die antwoorden geeft op onze vragen en oplossingen heeft voor al onze problemen, dan maken we die toch?’

En vanuit dit motto zet het volk, het wachten moe, Aaron onder druk. Deze kan, met het mes op de keel, niet anders kan dan meedoen met de tenenkrommende schijnvertoning, niet anders kan dan een tandeloze god ten tonele voeren, die een gemakkelijke, irreële weg naar geluk voorspiegelt.

Als Mozes eindelijk van de berg afkomt, is het onheil al geschied. Het eigenlijke probleem is echter niet, dat hij te laat is. Het eigenlijke probleem is, dat hij gewoon echt niet heeft, wat het volk al die tijd verwachtte: antwoorden en oplossingen. In de plaats van recepten en formules zijn de in steen gehouwen tien woorden immers… eisen, vorderingen, beproevingen. Dit kan door het volk alleen maar worden opgevat als een provocatie. Letterlijk en figuurlijk heeft Mozes voor zijn volk stenen voor brood in de aanbieding. En Mozes zelf – in frustratie en woede jegens zichzelf, zijn volk en God – Mozes zelf smijt de twee stenen tafelen aan diggelen, de twee documenten waaraan zo lang is gewerkt, waarop zo lang is gewacht. (Het is vergelijkbaar met de frustratie, de woede van zoveel bestuurders: over hun eigen onmacht en machteloosheid en over het gebrek aan erkenning van hun moeizame werk van passen en meten, wikken en weken.)

***

Het verhaal  van het ‘gouden kalf’ is natuurlijk meer dan een metafoor of een parabel voor politiek. Ze gaat ook over religie en geloof. Ook op dit gebied zijn vaak het nodige ongeduld en de nodige frustratie te bespeuren. Voelen we ons, in onze hunkering naar troost en roze wolken, niet al te vaak afgescheept met de boodschap van theologen en predikanten, dat het geloof meer vragen oproept dan beantwoordt? Dat God altijd een raadsel, een geheim zal blijven, de door afwezigheid schitterende luis in de pels van de geschiedenis?

Smijten we dat ontoegankelijke, warrige boek van de bijbel niet maar al te vaak woedend in de hoek? Woedend omdat het geen antwoorden geeft, maar ons, als we het oprecht lezen, telkens weer uitdaagt om alles op een andere manier te bekijken? Woedend omdat de bijbel eigenlijk geen troost biedt, maar ons moreel onder druk zet en ondervraagt? Woedend omdat dit boek ons niet alwetend maakt, maar ons zijn eigen vragen stelt, op de eerste plaats de vraag: “Waar is je broeder? Waar is je zuster?” Zoeken we daarom onze toevlucht niet liever in theorieën en praktijken, waarin ons denkwerk, tegenstrijdigheden en raadsels worden bespaard en die een weg plaveien naar mooie spirituele ervaringen?

Ik kan op deze plek, op persoonlijke theologische titel, alleen maar zeggen dat we het er blijkbaar maar mee moeten doen. Dat we het maar moeten doen met raadsels. Natuurlijk: deze uitspraak komt soms ook voort uit gemakzucht of uit een intellectueel snobisme, omdat het zo chic is om aan alles te twijfelen. Het is echter uiteindelijk gewoon heel reëel en realistisch, om toe te geven dat we hooguit op zeer indirecte wijze iets kunnen zeggen over het goddelijke geheim. Dat is geen reden om de zoektocht daarnaar op te geven, maar we moeten niet verbaasd en gefrustreerd opkijken, als die zoektocht ons teleurstelt, als ze niet wordt beloond met een pleister op al onze wonden, als het resultaat voorlopig niet meer is dan een onrustig geweten.

Ons geloof belooft ons in eerste instantie niet, dat de sluiers worden weggehaald voor het mysterie van het goddelijke. We krijgen geen doorkijkjes of inkijkjes. Wie gelooft krijgt niets te zien, tenzij uiterst indirect, in de vorm van sporen en spiegelbeelden. We kijken God niet in de ogen, maar voelen zijn blik in onze richting priemen in de ogen van de noodlijdende medemens.

Natuurlijk. Er is die andere belofte. Die belofte in tweede instantie, dat we ooit, ergens, aan gene zijde van de horizon van de geschiedenis, zullen ‘zien van aangezicht tot aangezicht’, zoals Paulus het zegt in zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe. Er is inderdaad die belofte. Maar meer ook niet. We kunnen die belofte niet verzilveren voor zijn tijd. En tot die tijd moeten we het hebben van geloof, hoop en vooral liefde, zoals Paulus het zegt. Om het te zeggen in de taal van Exodus: tot die tijd hebben we niet meer, maar ook niet minder, dan die twee stenen tafelen. Meer zit er voorlopig niet in.

Amen

Geef een reactie