Honderd jaar geleden

from-ethelethel

 In mijn boekenkast staat een boek dat ik nooit zal lezen. Het is een werk van de negentiende-eeuwse, religieuze Amerikaanse schrijfster Susan Warner en is getiteld Say and Seal. Ik zal het nooit lezen en wel om meerdere redenen: omdat het genre mij niet aanspreekt; omdat het boek uit elkaar valt als ik het vastpak; omdat de lettertjes minuscuul zijn en eerlijk gezegd vooral omdat ik niet zo graag Engels lees. Redenen te over om het boek als curiosum op Boekwinkeltjes.nl te plaatsen, zou u zeggen. Ik bewaar het echter zorgvuldig en wel – u vermoedt het al – uit piëteit.

In de marge van de eerste pagina staan handgeschreven de volgende woorden: ‘To Alice, from Ethel. Xxx’. In het boek ligt verder als bladwijzer een foto van deze Ethel, gemaakt door ene Herbert J. Wilson,  wiens winkel was gelegen aan de Marketstreet in Leicester. De enige die ik ken van deze personen, is Alice. Ze was mijn grootmoeder van moederskant. Als Belgische vluchtte ze in de Eerste Wereldoorlog met haar ouders en broertje naar Engeland, waar ze enkele jaren van haar jeugd doorbracht. Ethel was in die tijd haar hartsvriendin. Het boek is waarschijnlijk een afscheidsgeschenk, meegegeven toen mijn oma terugkeerde naar het continent. Waarom Ethel aan Alice precies dit boek meegaf is mij onbekend. Wilde ze mijn grootmoeder een stichtelijke boodschap meegeven? Was het haar lievelingsboek? Of wilde ze juist van het boek af? Het feit dat het boek is stukgelezen  geeft geen uitsluitsel. Misschien is het wel van hand tot hand gegaan, voordat het de Noordzee overstak.

Ik nam dit boek dezer dagen weer eens voorzichtig in mijn handen – om sentimentele redenen. Het sentiment in kwestie hecht zich niet in de eerste plaats aan de mooie herinneringen aan mijn lieve oma. Het is eerder een historisch sentiment. Je komt er immers niet omheen. Van diverse zijden worden we er aan herinnerd dat we staan aan de vooravond van een bijzonder herdenkingsjaar. Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat de Eerste Wereldoorlog begon: één van die grote keerpunten in de Westerse geschiedenis.

***

Uit historische en commerciële belangstelling wordt de aanloop naar het herdenkingsjaar uitgebuit door uitgevers, schrijvers en filmmakers. Er is zelfs een heel boek gewijd aan het jaar negentiendhonderdertien. Deze aandacht voor het ‘antebellum’ heeft o.a. te maken met de traditie om de Grote Oorlog te beschouwen als een ontlading; als een onweer dat wel moest uitbreken, gezien de grote politieke spanning die zich in Europa had opgebouwd; als een onweer dat een einde moest maken aan de verstikkende, zwoele atmosfeer in de cultuur. De rotte, gistende vrucht moest een keer openbarsten. De belangstelling voor het vooroorlogse tijdperk komt ook voort uit de voorstelling van het eerste decennium van de twintigste eeuw als een tijd van al dan niet schandaal veroorzakende doorbraken in wetenschap en kunst – met als iconisch geworden voorbeeld de première van het ballet ‘Le sacre du printemps’ van Stravinsky en Diaghilev.

Dergelijke interpretaties van het tijdperk voor de oorlog zijn natuurlijk projecties achteraf van mensen die wisten ‘hoe het afliep’. De gedachte van de oorlog als de Grote Opluchting was overigens op zichzelf een vorm van decadente esthetisering (ja, ik gooi vandaag graag met woorden). En er is ook veel mythevorming in het spel rondom schandaal veroorzakende premiers en vernissages. Het neemt echter allemaal niet weg dat het ‘antebellum’ een belangwekkende tijd was.

Ikzelf voel overigens sterk de verleiding om parallellen te zien tussen ‘toen’ en ‘nu’, vooral in politiek opzicht. Doordat de visie op de vooroorlogse jaren zo sterk wordt bepaald door achteraf gevormde ‘frames’, is een dergelijke vergelijking echter hachelijk. Natuurlijk: toen en nu stond en staat Europa politiek onder grote spanning. Maar de aard van de problematiek was een heel andere. Als we al parallellen zoeken, zie ik die eerder in de balkanisering en de verbrokkeling van Europa, die pas door de oorlog werden veroorzaakt of bespoedigd. Maar ik zwijg en geef hierover graag het woord aan historici.

***

Los van dit alles ontleen ik aan het tijdvak van de eerste decennia van de twintigste eeuw wel een inspiratiebron voor onze generatie. Dat heeft te maken met een ander sentiment – of liever: met een literaire voorkeur. Wie mij kent, weet dat in een stukje als dit vroeg of laat Thomas Mann te berde komt. Welnu: precies honderd jaar geleden begon de Duitse schrijver aan zijn Zauberberg – het boek dat hij in 1924 zou voltooien.

In deze roman schetst Mann o.a. het pessimistisch stemmende beeld van het decadente Europa, dat ongezond zwelgt in zijn navelstaarderij en tot een stilstaande poel van verderf is geworden. Het verhaal evoceert indirect de broeierige sfeer waarin en waarvan ook de jonge Thomas leefde en waarin ‘achterwaarts gerichte’, brandbare politieke fantasieën konden ontkiemen en woekeren. Doordat Mann zolang over het boek deed – en tegelijk een innerlijke metamorfose onderging – heeft hij in de vertelling echter ook een bevrijdende ontwikkeling kunnen beschrijven.

Deze ontwikkeling mondt weliswaar niet uit in een glorieus en hoopgevend einde – tenminste niet wat de uiterlijke verhaallijn betreft. (Deze eindigt juist bij de loopgraven.) De hoofdpersoon bereikt echter wel het punt waarop hij schoorvoetend een vergaande keuze maakt. De Zauberberg eindigt met een aarzelend gloren van het geloof in de menselijkheid, van hoop en van liefde. De dampen van de schoonheidscultus worden even doorschenen door het licht van de ethiek. Geen militaire ontlading, maar humanistisch inzicht is het antwoord op de decadentie.

Hierin weerspiegelt zich – als aangeduid – een louteringsproces van de schrijver zelf. In de periode 1913-1924 liet Mann de verstikkende, ziekmakende sfeer van de lagune uit Dood in Venetië achter zich. Als persoon en als kunstenaar ‘raffte’ Mann sich ‘zusammen’, ‘vermande’ hij zich. Hij was een onverbeterlijke esthetiserende narcist, maar ontwaakte geleidelijk (en met de nodige terugvallen) uit de roes van zijn romantische, ‘achterwaarts gerichte’ dromen – die hem ontvankelijk hadden gemaakt voor politiek obscurantisme – en stond in toenemende mate open voor het licht uit de toekomst en de nuchterheid van de ethiek.

***

In 1913 kwam de eerste letter van Manns ‘sleutelroman’ op papier. Dit vormt misschien de voornaamste sentimentele reden, waarom ik dezer dagen uitdrukkelijk stil sta bij datgene wat honderd jaar geleden begon: bij die grote ramp, die fundamentele breuk in de geschiedenis en die harde les, die dertig jaar zou duren. Thomas Mann was in dit leerproces geen held – in tegendeel – maar wel één van de velen die dit proces van binnen uit meemaakten, zich erdoor lieten vormen, over deze ontwikkeling getuigenis aflegden en er mede gestalte aan gaven. Juist doordat hij zich aanvankelijk had gecompromitteerd met duistere culturele krachten, zich daaraan moeizaam had moeten ontworstelen en over die strijd rekenschap aflegde: juist daardoor kon hij een voorbeeld worden. Hij is nog steeds een identificatiefiguur voor ons, als we ons dreigen in te graven in nostalgische en sentimentele identiteitscultussen en ertoe neigen ons op te sluiten in ons kleine, opgeblazen zelf – als individu en als collectief.

Ik zal nooit weten wie Ethel was. En waarom ze bijna honderd jaar geleden Say and Seal meegaf aan mijn oma. Het boek ‘gaat’ mij ook weinig ‘aan’, om het met een onvertaalbaar germanisme uit te drukken. Maar Der Zauberberg staat naast de Bijbel in mijn boekenkast en wordt na honderd jaar door mij gelezen en herlezen. Het gaat over ons. Over mij.

Geef een reactie