Oedipus

Niets is zo tenenkrommend als een onhandig woordvoerder van je eigen gevoelens. Dat overkomt mij als kritische en liberale katholiek wel eens. Deze week was het weer raak. In de media verscheen een glutenvrije priester, die de Roomse kerk de rug had toegekeerd vanwege haar coeliakiestandpunt (dat bestaat blijkbaar) en die daarover was gaan schrijven. Ik heb begrip voor de jongeman en deel tot op zekere hoogte zijn gevoelens. Hij is hardhandig geconfronteerd met een uitingsvorm van de harteloosheid en van de periodieke verstandsverbijstering van het Romeinse opperbevel. Alleen vraag ik me af hoe het komt, dat de goeierik niet veel eerder in de gaten heeft gehad dat hij diende onder een liefdeloos en kortzichtig commando. Hij is toegetreden tot de priesterkaste op een moment, dat hij beter kon en dus moest weten.

Ik kom vaker katholieken tegen die zich een tijd lang gretig voor het Romeinse karretje laten spannen – tot de dag komt dat dat karretje over hun eigen tenen rijdt. Hun kritiekloosheid slaat dan om in moord-en-brand-geroep. Beter laat dan nooit, natuurlijk. Alleen is het jammer dat zij pas dankzij schade en schande solidair worden met hen die al veel eerder de noodklok luidden. Jammer is het ook dat zij de weeffouten van het systeem niet eerder konden (wilden?) zien, verblind als ze waren door de charmes van die zich zo fraai opdoffende moederkerk. Betreurenswaardig vind ik het tenslotte dat zij soms demonstratief het huis verlaten terwijl veel dappere strijders de moed en het geduld nog niet opgeven om het te verbouwen.

Naast deze spijtoptanten heb je dan nog de van-de-regen-in-de-drup-gelovigen. Van de koude kerkelijke kermis thuisgekomen – tot zover begrijp ik hen – leggen zij kritiekloos hun lot in de handen van de nieuwe spirituele spullenbazen met hun geluksmachines. Opeens menen zij de heilige graal te hebben gevonden bij de esoterie, bij de op hedendaagse smaak gebrachte gnostiek of bij een op westerse wijze getemde en verminkte Oosterse religie. Als Jehova’s getuigen gaan zij door het vuur voor een nieuwe dogmatiek, die vaak helaas de diepgang heeft van een kopje Japanse thee of een Tibettaanse klankschaal. In hun euforie over het nieuwe systeem klinken echter onveranderd de bitterheid en rancune door over het oude.

Bij veel ontwortelden (die je overigens in alle christelijke stromingen tegenkomt) moet overigens niet alleen de kerk, maar ook de medische stand het ontgelden en het veld ruimen voor alternatieve heilbrengers. In hun complottheorieën wedijveren de priester en de arts in kwaadaardigheid. Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk. Aan de buitenkant vertonen de instituten van kerk en medische wetenschap immers opvallende parallellen. Dat ligt vooral aan de gelijkenis van de priesterkaste met de kaste van de artsen: de witte mantels, de initiatierituelen, de ingewijdenleer, de geheimtaal etc. En er zijn altijd wel vertegenwoordigers van deze kasten, die er een potje van hebben gemaakt.

Volgens mij is er echter meer in het spel dan woede over een oplichterscomplot. Achter die woede schuilt ten diepste een Oedipus-drama. De opstand tegen de priester en de arts (hier als archetype of pars pro toto bedoeld) lijkt op een vadermoord, een vadermoord die nogal paradoxaal is gemotiveerd. De vader wordt niet aan de kant geschoven omdat hij oppermachtig is, maar juist omdat hij zwak is – zoals een oud en ziek dominant mannetjesdier wordt uitgestoten uit de kudde. Wie goed luistert naar de opstandigen, hoort het verhaal van een teleurstelling. De teleurstelling dat de priester en de arts niet de verwachting hebben waargemaakt dat zij alwetend en alvermogend zijn.

Hoezeer de vaderfiguren deze verwachting ook hebben aangewakkerd: de onfeilbaarheid is ook en vooral een projectie van hun kinderen. Geen wonder dus dat de vader van zijn voetstuk valt, als hij faalt of aan het eind van zijn (potjes-)Latijn komt. Zelfs als bijvoorbeeld de arts ruiterlijk toegeeft dat hij ‘ook maar een wetenschapper’ is, als hij waarschuwt dat zijn kennis en kunde zich slechts met horten en stoten kunnen vervolmaken: zelfs of juist dan druipen de volgelingen af. Wat de instituties en hun vertegenwoordigers verder ook te verwijten valt: de overspannen verwachtingen van hun aanhangers zijn dat maar ten dele. Wie als volwassene blijft happen naar een fopspeen, kiest daar zelf voor.

Maar goed, ik wilde het dus eigenlijk  hebben over teleurgestelde katholieken. Ik moet dan denken aan mijn moeder z.g. Uiteraard haalde de goede vrouw geregeld herinneringen op aan de Roomse kerk uit haar Maastrichtse jeugd, die kerk met al haar potsierlijke gedachtespinsels en met al haar bizarre en genante rituelen (variërend van het omkopen van heiligen met worsten en andere nutteloze cadeaus tot de reinigingsceremonie van kraamvrouwen). In dat verband sprak zij steevast de woorden: “Ze  hubbe’n us toch get wiesgemaak!” (“Ze hébben ons toch veel wijsgemaakt!”) Ze sprak deze woorden uit op een licht ironische en melancholieke toon, waaruit eerder medelijden met de ‘daders’ sprak, dan zelfbeklag of rancune. Mijn moeder zocht inmiddels immers reeds lang haar eigen weg in het geloof. Ze wist dat je van je religiositeit zelf iets kunt en moet maken.

En dat je er zelf bij bent, als je je verstand op nul zet.

Geef een reactie