Rechtop geloven

Op De Bezieling verscheen deze maand de onderstaande column van mijn hand. Ik ondervond steun en tegenspraak. Voor bijval buig ik bescheiden. Tegenover de kritiek ga ik me niet verdedigen of verontschuldigen. Misschien heeft men gelijk. Hooguit wil ik het volgende kwijt. Ik hoop dat ik niet onder een vlag word geplaatst, waarin ik me niet herken. Het stukje is niet geschreven vanuit een neo-bevrijdingstheologisch moralisme. Evenmin is het een neo-orthodoxe reflex. Het komt, zoals zoveel wat ik schrijf, recht uit het vrijzinnige hart van iemand die streeft naar geloven in volwassenheid, naar ‘rechtop’ geloven, geloven met rechte rug en opgeheven hoofd . EC.

De reclameslogans van de remonstranten (u weet wel: die zinnen die beginnen met ‘Mijn God…’) suggereren een soort intimiteit met het opperwezen die velen aanmatigend of pretentieus in de oren klinkt. Het is alsof iemand zegt: ‘Ik heb het er met mijn God over gehad en hij vindt ook dat…’ Dat mensen op vertrouwelijke voet met God verkeren is echter niet helemaal nieuw. Ikzelf ben opgegroeid in de tijd dat katholieken God nog aanspraken met ‘Onze Lieve Heer’ – of zelfs ‘Onze Lieve Heertje’. De klank van het Limburgse dialect voegde er nog een extra dimensie van tederheid aan toe. En voor Brabanders – gewend aan ‘ons pap’, ‘ons mam’ etc. – moet het ‘onze’ al helemaal familiaal hebben geklonken.

Bij deze aanspreekvormen hoorden ook bepaalde beelden. Het beeld van Gods zoon als herder bijvoorbeeld. Zo werd hij geportretteerd op een prent boven het dressoir in de huiskamer van mijn oma. Of hij was een knapperd die zijn armen wijd opende en een van liefde brandend hart liet zien, waarin plaats was voor ons allemaal. God was één en al liefde. Het was wel een bepaald soort liefde: meegaand en begripvol, troostend en bevestigend. God had uiteraard ook een veeleisende kant. Als je echter door zijn strenge toetsen héén kwam, wachtte je het paradijs van de eindeloze omarming.

Deze gevoelslading is natuurlijk niet bedoeld in de slogans van de remonstranten. Het neemt niet weg dat het beeld van God als grote kosmische knuffelbeer tot op heden een taai leven heeft – ook en juist in progressieve kring. Het leeft voort in het pastorale en spirituele aanbod van kerkelijke gemeenschappen, bezinningscentra en uitgeverijen. Dit aanbod heeft steeds meer het karakter van een houtenspeelgoedwinkel. Men levert ons een God waaraan je je niet stoot en een geloof waaraan je je geen buil valt.

Tekenend is de selectieve Bijbellezing. Passages die gaan over conflict, confrontatie en keuzes worden overgeslagen. Teksten worden zo gelezen dat het beeld van God als grote lieverd overblijft. Opmerkelijk bijvoorbeeld is de populariteit van Psalm 139 – althans een bepaalde interpretatie ervan. De inmiddels gebruikelijke uitleg laat het voorkomen alsof God voor ons een warm bad heeft laten vollopen waarin wij ons kunnen laten glijden. Deze uitleg ziet over het hoofd dat God hier ook wordt afgeschilderd als een stalker, die mensen op de hielen zit en hen hinderlijk herinnert aan hun opdracht – zoals bij Jona.

Ook de mystieke traditie valt aan dit opportunisme ten prooi. We projecteren naar hartenlust onze hedendaagse affectiviteitscultus op deze traditie alsmede de modieuze verachting van de rede. Ons postmoderne ‘gevoel’ is echter niets meer dan een gedaante van ons onverzadigbare ego. Niets staat verder af van de mystiek dan dit claimende ‘ik’ dat greep wil krijgen op de Ander, die Ander in zijn ban wil trekken en aan zich dienstbaar wil maken. Wat dit betreft is het ‘gevoel’ geen haar beter dan de zo verfoeide ratio.

De kerken worden in dit opzicht overigens nog overtroefd door het esoterische circuit. Hier is God een kneedbare Barbapappa, die op verzoek wordt wat wij willen en die ons van dienst is als de uitbater van een spirituele suikerspinnenkraam. Het ietsisme destilleert bovendien het laatste restje niet-vrijblijvendheid weg uit de religie, door God ‘onpersoonlijk’ (en dus monddood) te maken.

Ik zou graag geloven in de Grote Lieverd… maar als dit Godsbeeld de kern zou zijn geweest van de boodschap van Mozes, de Profeten en Jezus: dan zouden de oudtestamentische tirannen en de Romeinen zich niet zo hebben opgewonden over hen. Ze zouden zich kostelijk hebben geamuseerd met die malle verkopers van zoete broodjes. In feite echter werden ze geconfronteerd met een onaangename boodschap: een boodschap over een nieuwe orde die de oude overhoop haalde. Als het bij Jezus en zijn voorgangers al over liefde ging, dan ging het over een liefde die vóórtrok en uitverkoos, meesleurde en opeiste, die niet bevestigde doch losmaakte en iets nieuws wilde vestigen.

Mijn God bevestigt me niet, doch haalt me onderuit en trek me weg uit de warme kussens van mijn goed gevoel. Tenminste… dat denk ik. Voor de zekerheid houd ik er toch maar rekening mee, dat hij op een dag aanklopt en toch blijkt te lijken op die goede herder op de prent boven mijn grootmoeders dressoir. Hij moet immers zelf weten hoe hij zich kenbaar maakt.

God blijft gelukkig onberekenbaar. Daar vertrouw ik op.

Geef een reactie