De pedagogie van het selectieve mededogen

Het slechte nieuws van de laatste weken is nog zwarter en bitterder gemaakt door het gekissebis tussen nieuwsvolgers, collectief rouwenden en zich-solidiair-verklaarders in de social media. In de gesprekken over de ramp met MH17 is er bijvoorbeeld altijd wel iemand die wijst op de nog-erger-heid van andere zaken. Koplopers in de ergheidswedloop zijn ten eerste de wandaden van de in Syrië en Irak oprukkende ISIS en ten tweede het volstrekt uit de hand gelopen conflict tussen Israel en Hamas. Deze laatste twee zaken strijden ook onderling om de koppositie. Er kan er maar één de slechtste zijn, toch?

Ik sta niet stil bij de apert cynische getalsmatige vergelijkingen (‘meer moslims gedood door moslims dan door de IDF’ of ‘meer doden in Syrië dan bij vlucht MH17’) of de wansmakelijke historische jij-bakken (‘De Joden moesten toch beter weten!’). Het heeft ook weinig zin om het verwijt van ‘selectieve verontwaardiging’ te ontkrachten. Het hanteren van een dubbele standaard is ongeoorloofd: dat staat als een paal boven water. Hooguit is het dubieus om de gesprekspartner te diskwalificeren op grond van dit louter formele verwijt. Iemand die Israël strenger de maat neemt dan Hamas (of andersom) is misschien minder serieus te nemen: inhoudelijk kan hij of zij wel gelijk hebben wat betreft het aan de kaak gestelde gedrag op zichzelf.

Ongenoegen

Achter of onder deze onverkwikkelijke discussies lijkt er echter iets anders schuil te gaan. En dat intrigeert me. Ik doel op het ongenoegen, ja: de schaamte over het feit dat wij mensen ons soms meer bij de ene medemens of groep betrokken voelen dan bij de andere. Er is sprake van favorisering of prioritering in onze sympathie, empathie en solidariteit. Dit lijkt niet bij ons zelfbeeld te passen. Sommigen generen zich bijvoorbeeld onuitgesproken voor het uitbundige rouwmisbaar aan de A2 op 23 juli en daarna. Dit lijkt immers in geen verhouding te staan tot het gegeven dat elders in de wereld (Syrië, Gaza, Libië) elke seconde weer nieuwe doden vallen terwijl we daar veel zakelijker over spreken.

Dat we onze sympathie ongelijk en ook wat grillig verdelen, valt niet te ontkennen. Ik denk bijvoorbeeld niet dat ik de enige was die de afgelopen twee weken bij wijlen meer aandacht besteedde aan de tweehonderd Nederlanders in het neergehaalde passagiersvliegtuig, dan aan de overige inzittenden en aan de slachtoffers van (andere) conflicten. Een andere uitingsvorm van de ongelijke verdeling van sympathie is het feit, dat we bij gewapende conflicten veelal meer geraakt zijn door het droeve lot van ‘onschuldige burgers’ dan door dat van strijders, meer door dat van kinderen dan door dat van volwassen mannen. In de berichtgeving worden deze categorieën dan ook vaak met nadruk genoemd. Blijkbaar doen we dit om iets kracht bij te zetten.

Perspectivisme

Is het echter werkelijk niet in de haak, dat we empathie en solidariteit zo ongelijk en schijnbaar willekeurig verdelen?

Op het eerste oog is dat het geval. Menselijkheid en medemenselijkheid zijn iets universeels. We vinden terecht dat we met iedere soortgenoot – ondanks de geografische, culturele of religieuze afstand en ongeacht de gradaties in aandoenlijkheid – op dezelfde manier moeten meeleven en dat we ons in dezelfde mate voor haar of hem moeten inzetten.

In tweede instantie lijkt er echter een algemeen menselijke behoefte te bestaan, om empathie en solidariteit van prioriteiten te voorzien. Universele menselijkheid als zodanig loopt namelijk het risico om abstract en vruchteloos te worden, als ze niet wordt gerepresenteerd – ‘bemiddeld’, om het wat wijsgerig uit te drukken – door een particuliere gestalte ervan. We zijn immers ook perspectivische wezens. Wat dichtbij staat dringt zich meer op.

Empathie en solidariteit, meeleven en inzet worden bovendien geactiveerd door identificatie met de ander en door emoties die daarmee gepaard gaan. Compassie en betrokkenheid worden allereerst gewekt door het herkenbare en het invoelbaar schrijnende. Dat vereist nabijheid.

Kortom: We zijn geen slechtere mensen omdat we ons allereerst laten raken door en in actie komen voor de nabije – of voor die vreemdeling in wiens leven en lot wij ons speciaal verdiept hebben. Het herkenbare en nabije is daarbij wel altijd de poortwachter van het vreemde en verre – en diens plaatsbekleder.

Wereldverbeteraars maken zonder enige gêne gebruik van dit gegeven. Ze wekken inlevingsvermogen, betrokkenheid en actie op door middel van aansprekend beeldmateriaal en plastische verhalen over het lot en de strijd van berooide medemensen. Op die manier laten ze ons zien en voelen dat ook die verre vreemdeling of vreemde verreling iemand is van onze soort. En zo zijn er ontelbare organisaties ontstaan met het exclusieve doel, om één bepaalde exotische of onzichtbare bevolkingsgroep dichtbij te brengen.

Over dergelijke exclusieve solidariteitsacties breken we niet de staf vanwege hun eenzijdigheid. Zolang de focus op één groep (Palestijnen in Gaza, Christenen in Irak, kastenlozen in India, vrouwen in de Islam) ons indirect sensibiliseert voor het lot van al onze medemensen en niet ontaardt in leedchauvinisme, vinden we hem blijkbaar legitiem.

Pedagogie en waakzaamheid

Het is dus zonder meer geoorloofd om ons bij onze meelevendheid en solidariteit te laten leiden door herkenning en aangedaanheid – mits dit maar een stap is op een weg naar universaliteit. Het particuliere dat identificatie mogelijk maakt en onze emoties opwekt, dient steeds weer het universele te vertegenwoordigen. Datgene wat zich opdringt op de voorgrond van ons perspectief, mag niet het zicht ontnemen op datgene wat zich in de verte voor ons oog ontvouwt. Het moet juist onze blik voor dat laatste scherpen.

In die zin hebben door voorkeur geleide sympathie en de daaruit voortvloeiende actie een pedagogische functie. Om het concreet te maken: de Nederlandse kleuter wiens lichaam is uiteengespat op Oekraïense bodem verwijst – als het goed is – ook naar de kapot gebombardeerde kinderen van Gaza en wekt onze betrokkenheid daarbij.

Het concrete slachtoffer van vandaag verwijst bovendien ook naar de mogelijke slachtoffers van morgen. De pedagogie van de compassie is toekomstgericht. Ze maakt ons waakzaam. De uiteen gereten Palestijnse kinderen verwijzen – om ook hier concreet te blijven – tevens naar de Joodse kinderen die morgen in Parijs, Brussel of Amsterdam stikken in de rook, als er een molotovcocktail door de ruit is gegooid van het huis waarin zij zich nu nog (een beetje) veilig voelen.

Geef een reactie