De crisis is geen kans om te grijpen maar een gelegenheid om na te denken

De corona-crisis is, zoals het woord zegt, een crisis. Niet meer en niet minder. Er staan zaken op het spel en er bestaan reële gevaren: voor de volksgezondheid en ieders individuele gezondheid, voor de maatschappelijke samenhang en de economie, voor de instituties in de zorg, het onderwijs, de wetenschap en de cultuur – en voor de kerken. Met man en macht wordt gewerkt om het schip tussen de klippen door te loodsen. De crisis is geen ‘kans’ of ‘uitdaging’, zoals er her en der in modieus en quasi-spiritueel managementboekjargon wordt verkondigd. Daarvoor is de situatie te ernstig. Een epidemie is geen sportevenement.

Het spreken over ‘kansen’ is helaas echter ook in kerkelijke kringen aan de orde van de dag. Vooral vooruitstrevende, creatieve en innovatieve zielen in de katholieke kerk  zien plotseling mogelijkheden. Op zich is dit begrijpelijk. De laatste decennia is er immers veel gesproken over en gewerkt aan alternatieven voor de sleets geraakte, klerikale organisatievormen en liturgische praktijken. Pogingen om open te discussiëren en vrijelijk te experimenten zijn echter stelselmatig gefrustreerd. Geen wonder dus, dat de vernieuwingsgezinden de gevolgen van de crisis als bevrijdend ervaren. Veranderingen worden nu afgedwongen. Nu mag niet alleen, maar moet zelfs worden geïmproviseerd. De eredienst is opeens niet meer gebonden aan een gebouw en een (mannelijke) beroepsgroep.

Het is echter maar de vraag, of het van smaak en tact getuigt, om de huidige crisis als een ‘blessing in disguise’  te zien.  Lijden en risico’s worden hiermee ge-instrumentaliseerd. De kansenretoriek heeft daardoor een cynische bijklank. De progressieven verlenen zichzelf en hun zaak bovendien een slechte dienst. Uit nood of wanhoop geboren zelfkritiek en creativiteit kunnen nooit tot een duurzame hervorming leiden. Die komt er alleen, als er fundamenteel wordt nagedacht en inhoudelijk wordt gedebatteerd. Het feit dat mensen niet meer naar de kerk kunnen gaan, vervangt niet de broodnodige theologische doordenking van wat wenselijk, noodzakelijk en heilzaam is. Dat we het gesprek daarover bij uitstek nu kunnen en moeten voeren,  staat voor mij als een paal boven water, maar niet omdat we misschien ‘eindelijk gelijk krijgen’,  maar omdat we even niets anders te doen hebben. We hebben nu tijd voor reflectie – een reflectie die we, uit ontmoediging of onder het gemakzuchtige  mom van praktijkgerichtheid, jarenlang hebben laten liggen en hebben overgelaten aan een handvol specialisten.

Binnen de kansenretoriek wordt op één punt overigens echt een grens overschreden. Er zijn vertolkers van deze logica, die lyrisch zijn over de door de situatie opgelegde ‘liturgie aan de keukentafel’.  Euforisch verkondigen zij, dat we weer terug zijn in de tijd van de eerste christenen en hun ‘huiskerken’.   Als we echter menen, dat we kunnen leven als de ‘eerste christenen’ (die overigens als vriendengroepen bij elkaar kwamen en niet als eensgezinswoninggezinnen), is dat in het gunstigste geval een kinderlijke vorm van bijbeltje-naspelen, maar ten diepste een hachelijke illusie. We kunnen immers geen reis in de tijd maken en er is zeker geen continue lijn te trekken van het Nieuwe Testament naar het heden. We kunnen niet net doen alsof er geen tweeduizend jaar kerkgeschiedenis en wereldgeschiedenis zijn verstreken, die ‘ons christenen’ onze onschuld hebben doen verliezen.  En in onze windstreken –  met de onbetwiste invloed, vrijheid en welvaart van de kerken – is het ook nogal hoogmoedig, om ons op één lijn te plaatsen met de generaties, die de naam van christen met bloed hebben moeten betalen.

We leven in een ongehoorde tijd. De pandemie is een onversneden crisis, ook voor de kerken.  Zolang we die echter benoemen als ‘kans’ , is dat een teken, dat de ernst van de situatie niet echt tot ons is doorgedrongen. Dit sluit niet uit, dat we wel degelijk kunnen reageren op de crisis. We zullen wel moeten. Maar wat we moeten doen, is niet het ‘grijpen van een kans’, maar het nemen van onze verantwoordelijkheid, voor onszelf en voor anderen, voor de korte en voor de lange termijn. We moeten er het beste van maken. Dat vraagt wendbaarheid, durf, intellectuele inspanning en offerbereidheid. En als achteraf blijkt, dat we er ook iets nieuws van hebben kunnen leren: dan is dat mooi meegenomen. Maar dat zien we later dan wel.

De wereld als Praethuys

De wereld is een praathuis. Dat was altijd al zo en dat zal altijd zo blijven. Alle jammerklachten over onze praatzieke cultuur en over de devaluatie van woord ten spijt, is het eerlijk om vast te stellen dat de praatdwang een aangeboren ziekte van het mensdom is. Deze kwaal springt vandaag de dag wellicht wat meer in het oog, doordat dankzij de digitale revolutie het aantal communicatiemiddelen explosief is toegenomen. Maar het is de eeuwige behoefte aan mededeelzaamheid die hier de middelen schept – en niet omgekeerd.

Door de digitale revolutie is het wel gemakkelijker geworden, om een podium te vinden, om de wereld toe te spreken. Praten komt immers meestal daarop neer: niet op dialoog, doch op monoloog, niet op het gesprek, maar op de toe-spraak. Deze monoloog nu is geen luxe meer van geletterde briefschrijvers, zoals tot ver in de 20e eeuw het geval was, of van de happy few die de massamedia in het analoge tijdperk als spreekbuis konden gebruiken. Nee: voor iedereen is er in het Hyde-Park van de social media  wel een zeepkist ter beschikking. Dat we daarbij meestal aan elkaars dovemans oren voorbij praten, is een ander hoofdstuk.

De drempel om onszelf mede te delen is dus lager geworden. We zijn echter al met al geen grotere kletskousen dan de generaties voor ons. Wat wel is veranderd, is de kwaliteit van het gesprek. Er vindt geen selectie plaats, zodat de oprispingen van Jan en alleman lukraak worden uitgezonden. We lijken daardoor gemiddeld minder zoetgevooisd en welgemanierd. We werken bovendien op elkaars zenuwen, doordat we wedijveren om de prijs voor de sneuste pechvogel en het meelijwekkendste slachtoffer.

Van het lezen van narcisten als Paulus, Augustinus, Proust en Mann konden we tenminste nog genieten. Ze waren brokkenpiloten in het leven, maar kampioenen van het woord, kneuzen van adel. Posthuum leggen ze het echter alsnog af tegen de banaliteit van het Theater van het Zelf.

Van kruisridders wordt niets gekocht.

We leven in identiteitsland. Iedereen moet iets zijn of wil iets zijn. Het liefst iets, wat met anderen worden gedeeld – maar dan ook weer niet met teveel anderen, want het gaat er ook en vooral om, dat ik anders ben of dat ‘wij’ anders zijn. Dat ‘wij’ omvat overigens zowel tijdgenoten als mensen van vorige generaties. We ‘hebben iets’ met elkaar, hier en nu. Maar datgene wat we hebben, is te danken aan een traditie, aan het feit dat ‘iets’ is doorgegeven: genen, lichamelijke kenmerken, ervaringen, traumata, waarden, gebruiken, geloof, kortom: van alles, zolang het maar ‘iets’ is (en als je gelovig bent, dan liever niet alleen ‘iets’, maar ook nog eens ‘iemand’).

Christenen: dat is blijkbaar ook een ‘wij’. Nu zal ik zelf niet zo snel zeggen, dat ik ‘christen’ ben. Dat hangt een beetje samen met mijn opvoeding. Ik kom uit een volkskatholiek milieu en daar spraken we niet over ‘christenen’, maar eerder over ‘katholieken’ of ‘kerkelijken’. Dat ‘christenen’ hoorde je vooral van protestanten. Maar het is niet alleen nestgeur, wat me weerhoudt om mezelf ‘christen’ te noemen. Het woord ‘christen’ is immers niet een sociologische categorie, die je zomaar even op jezelf kunt toepassen (zoals ‘katholiek’ of ‘protestant’ dat wel is). Het is vooral een programma, een belijdenis, een bekentenis. Je zegt nogal wat als je zegt ‘Ik ben christen’. Daarmee zeg je niets minder, dan dat je leeft in navolging en gehoorzaamheid. Het waren de vroegchristelijke martelaren die deze woorden uitspraken – en die daarvoor met hun leven moesten betalen. Het zou dus op zijn zachtst gezegd nogal pretentieus zijn, als ik, als gelovige brokkenpiloot, die woorden in mijn mond zou nemen.

Helemaal kan ik de benaming ‘christen’ echter niet meer vermijden. Dat komt doordat ze door anderen wordt gebezigd (en door hen wel degelijk als een sociologische categorie wordt bedoeld) en doordat ik met die anderen veel gemeenschappelijk heb (veel ook niet trouwens). Die gemeenschappelijkheid wordt vooral actueel en urgent, als die anderen door of zelfs vanwege hun geloof levensgevaar lopen of worden vervolgd, zoals veel gelovigen in door IS gedomineerde gebieden. (Dat lot delen ze overigens met Joden, Yezidi’s en moslims van onwelgevallige stromingen.) En dan beginnen die anderen toch erg veel te lijken op martelaren – of ze zijn het gewoon. (Dat weet God beter dan wij.) Is het dan inmiddels niet een kwestie van solidariteit om mezelf ook christen te noemen? – Een kwestie van solidariteit, niet van identiteit. Ik kan het niet genoeg benadrukken. De uitspraak ‘Ik ben christen’ zegt niets over wat ik ben, maar over mijn verbondenheid met een ander. Het zwaartepunt ligt niet in mijn ‘ik’ of in een ‘wij’, maar in die ander, met wie ik mij solidariseer (en niet ‘identificeer’, hetgeen nogal arrogant zou zijn).

Nu zijn er mensen (die overigens zelden een kerkgebouw of een bijbel van de binnenkant zien), die zich zorgen maken over het lot van ‘christenen’ in ons land. Ze menen het voor ‘ons’ op te moeten nemen, omdat er te onzent wordt gemorreld aan ons christelijke erfgoed. Ervan afgezien dat het volgens mij om een verzonnen probleem of in elk geval om een luxeprobleem gaat: ik ben altijd wat achterdochtig als dit slag mensen mij bescherming aanbieden. Daar staat immers altijd wat tegenover. Aan dit soort ridders verkoop ik mijn ziel liever niet. Al is het maar, omdat ik ‘van mijn geloof’ mijn lot aan de handen van de Levende moet toevertrouwen en niet aan de aanbieders van paarden en wagens – om het met het mooie erfgoed van de Bijbelse taal uit te drukken. Ik probeer me daaraan te houden – zonder de pretentie dat dit altijd lukt (zie boven).

In die context heb ik me op Twitter onlangs de woorden ‘wij christenen’ laten ontvallen. ‘Wij christenen hebben jullie bescherming niet nodig’, schreef ik, of iets in die trant. (Ik lees mijn eigen tweets niet na. Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.) Toch arrogant dus? ‘Spreek voor jezelf!’ – werd mij voorgehouden. Een lesje in nederigheid. Niettemin: als ik dan toch door de seculiere kruisridders als ‘christen’ wordt aangesproken, heb ik minstens ook het recht om iets te vinden over wat ‘christenen’ horen te vinden. Ik mag dan misschien niet namens mijn medechristenen spreken, maar ik mag hen wel áánspreken en een beroep doen op ‘onze’ gemeenschappelijke bronnen (zo gaan ‘wij christenen’ sinds eeuwen met elkaar om). En die bronnen zeggen nu eenmaal: Het is beter te vallen in de handen van God dan in die van mensen, inclusief onze ‘beschermers’.

Woorden wegen zwaarder dan de persoon – naar aanleiding van de casus Handke

Het is altijd gezond als eerbiedwaardige menselijke instituties voor even hun aureool verliezen. Dat geldt voor kerken, parlementen, koningshuizen, notariskantoren, universiteiten enzovoorts. Als de vertegenwoordigers van deze instellingen in de fout gaan, is dat tenenkrommend. Het roept plaatsvervangende schaamte op en onzekerheid over de fundamenten van onze samenleving. Tegelijkertijd echter worden we eraan herinnerd, dat de  instellingen, waaraan we onze immateriële kostbaarheden toevertrouwen, breekbare vaten zijn. Deze instituties zijn weliswaar de dragers van nobele gedachten en idealen, maar ze zijn ook vatbaar voor dwaling.

Vorig jaar maakte de Zweedse Academie, het instituut dat de winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur voordraagt, een publicitaire valpartij en raakte indirect verzeild in schandalen. Niet gespeend van enige provoceerzucht, zo lijkt het althans, kwam de Academie dit jaar bovendien met een zeer omstreden winnaar op de proppen: de Oostenrijker Peter Handke. Deze had sinds de jaren negentig veel lezers van zich vervreemd, door in de Balkonoorlog onverholen partij te kiezen voor de Servische kant, niet alleen uit begrip maar ook uit sympathie, aldus critici.

De casus Handke laat zien, dat ook het instituut kunst vatbaar is voor schandalen. En naar aanleiding van de controverse vindt momenteel een discussie plaats over de vraag, of we kunstenaars die moreel gezien een faux-pas hebben gemaakt, nog wel als kunstenaar kunnen respecteren. Kunnen we van hun kunst genieten en daarbij onze ogen afwenden van hun ‘foute’ gedachten en daden in het dagelijkse leven of de politiek?  Kunnen we persoon en werk los zien van elkaar?

Laten we even ervan uitgaan, dat het antwoord negatief is. Dan kan ik u helpen, om uw boekenkast en uw muziekverzameling uit te dunnen. U kunt ook kosten besparen, door uw Museumkaart op te zeggen en de eerstvolgende stedentrip te annuleren. Gaat u er even voor zitten?

Rembrandt was een grote egoïst die over lijken ging. Beethoven was om achter het behang te plakken. Bach was onredelijk veeleisend voor leerlingen en musici. De meeste romantische schrijvers en toondichters waren schuinsmarcheerders die grossierden in SOA’s. Thomas Mann was in zijn jonge jaren vatbaar voor rechts nationalisme, zoals overigens veel collega’s in die tijd. Richard Strauss was ten tijde van Hitler een schaamteloze opportunist. Tot de eerste generatie van het Bauhaus hoorden ok protofascisten. En ijdeltuiten waren ze zonder uitzondering. Is uw culturele bucketlist al wat korter geworden? Of reageert u op deze opsomming schouderophalend en hoort u tot de categorie mensen, die (zij het met de nodige reserves) tentoonstellingen over Nazi-Kunst bezoekt en de dubbelzinnige bewondering voor Leni Riefenstahl niet verbergt.

Er is ook een ander lijstje te maken. Ik leg het ter vergelijking aan u voor. Zouden we de Nobelprijs weigeren aan van zelfmedelijden vervulde dramaqueens als Paulus van Tarsus en Augustinus van Hippo? En als de Tora echt zou zijn geschreven door Mozes, zoals lang werd geloofd, zou hij dan op de lijst van terreurverdachte fundamentalisten terecht komen? In feite worden hun pennenvruchten nog steeds ervaren als grote bronnen van inspiratie. Dat hangt er ook mee samen, dat we juist van en door deze personen hebben geleerd, dat ieder mens licht- en schaduwzijden heeft en daarmee ook een leven lang kan vechten. Hun boeken en brieven zijn ‘Bildungsromane’ avant-la-lettre, waarin de menselijke kant geleidelijk en met vallen en opstaan doorbreekt en aan de oppervlakte komt. We doen deze ambivalente personen het meest recht, als we hun woorden serieuzer nemen dan hun karakter of levensloop. Hun woorden ontlenen ze immers aan iets wat groter is dan zijzelf is, waaraan zij zichzelf meten en waarnaar zij toe willen groeien. Dat is doorslaggevend en van meer belang dan hun persoonlijke gestuntel. Met andere woorden: hun persoon en hun werk zijn bij uitstek los van elkaar te zien.

Met dit besef lezen wij het ‘werk’ van ambivalente persoonlijkheden. Misschien dat gelovigen daarom ook wel wat ontspannener, begripvoller en toleranter reageren – of in elk geval zouden moeten reageren – als  kunstenaars een schuine schaats hebben gereden. De ‘woorden’ wegen zwaarder dan de persoon, als het gaat over geloof-waardigheid.

Deze bijdrage verscheen eerder op De Bezieling.

Het IKEA-geloof of de nieuwe verburgerlijking van de religie

“Ik heb de slechte gewoonte om, als mij iets vreemd voorkomt, anderen lastig te vallen met dat vreemde.” Aldus Thomas Mann, de meester van de gelaagdheid en de dubbelzinnigheid, van de interne tegenspraak en de complexiteit*). Het is een programmatische zin, want de schrijver maakte het zijn lezers niet makkelijk en vergde het nodige van hen. Dit betekende niet zozeer, dat Mann een ‘ontoegankelijke’ auteur was, zoals veel van zijn tijdgenoten. Hij was weliswaar een uiterst modern schrijver, maar zeker geen modernist. Hij stond met zijn bewuste complexiteit eerder in de traditie van de romantische ironie, die alles van meerdere kanten bekeek. Hij loste daarbij tegenspraken niet op. Dat laatste was nu echter juist datgene, waarmee slechts weinigen raad wisten.

Als praktisch theoloog zou ik de aangehaalde uitspraak als mijn motto kunnen beschouwen. Ik ervaar het als mijn ondankbare taak, om anderen en mezelf lastig te vallen met het bevreemdende, het niet-passende, het ongemakkelijke, het meerduidige. Met het onuitputtelijk-raadselachtige van verhalen, die bij iedere lezing en herlezing iets anders en vooral iets onwenselijks zeggen. Maar ook met het hardnekkige zwijgen van symbolen, die weigeren hun geheim prijs te geven en die maar niets willen ‘betekenen’. Met de meerduidigheid van ogenschijnlijk eenvoudige uitspraken (“Er staat niet wat er staat”) – of juist met de onwelgevallige, hoekige eenduidigheid van woorden, die ons tegen de borst stuiten, die we daarom zolang plooien, totdat ze een geruststellende betekenis krijgen, maar die zich telkens weer terugplooien naar hun radicale, onaangename vorm (“Er staat nu eenmaal wat er staat.”)

Als zielzorger of theoloog heb ik de taak, om dingen te zeggen die niet zijn uit te leggen. Dit vergt een grote discipline en eindeloos geduld. Het geduld om Bijbelteksten te lezen en te herlezen en daarbij elke aanvechting tot ‘interpretatie’ te weerstaan. De discipline om teksten en rituelen zolang letterlijk te herhalen, totdat ze mijn duidingsdrang het zwijgen opleggen. Totdat ik niet meer vraag ‘wat ze mij te zeggen hebben’, maar hen laat uitspreken. (Iets wat we, als we tenminste een beetje fatsoen hebben, ook gewoon doen bij onze medemensen.) Kortom: ik moeten de verleiding weerstaan om de bronnen te folteren en tot wenselijke mededelingen te bewegen.

Als ik rondkijk op de markt van geloof, ‘spiritualiteit’ en ‘zingeving’ zie ik het tegendeel. Niets is er moeilijk, vreemd of onverteerbaar. Alles is vertaald, behapbaar gemaakt en op smaak gebracht. Alles is toegankelijk, mede dankzij laagdrempelige stappenplannetjes en makkelijk te onthouden vragenlijstjes. Het draait helemaal om mij. God is een egostreler en mensenfluisteraar. Elk woord is een antwoord en elke gedachte een oplossing. Alles voegt zich naar mij. Op de markt van ‘levensbeschouwing’ waan ik me soms in een houten-speelgoedwinkel, waar alles veilig is en geruststellend. Wat er wordt verkocht is veilig, verantwoord en gezond. Je kunt je er niet aan bezeren en je er geen buil aan vallen.

Het verschil met de houten-speelgoedwinkel is alleen, dat die laatste duurzame en originele artikelen verkoopt. Daarom dringt zich een andere vergelijking eerder op: de vergelijking met een Scandinavische meubelgigant. Ik word getutoyeerd en in de waan gelaten dat ik in het middelpunt sta. Ik kan zelf mijn spullen bij elkaar zoeken en in elkaar zetten. Het resultaat past dan altijd bij mij en in mijn huisje. Zelfs de gebruiksaanwijzing is begrijpelijk. Uiteraard is het aanbod betaalbaar. En ik kan er met mijn vrienden, collega’s en buren over praten, want die hebben dezelfde spullen – in een iets andere samenstelling en kleur misschien. Ik kan dan ook altijd ruilen.

Paradoxaal genoeg is het individualisme van de religieuze markt namelijk ingebed in een systeem van massaproductie. Er is alleen ‘ik’ aan de ene kant en de onbegrensde ‘menigte’ aan de andere kant. Van een ‘kerk’, een aangesproken en geroepen gemeenschap, die de wereld lastig valt met buitenissige gedachten is geen sprake. Zo dreigen wij gelovigen allemaal te worden als de kleurloze, griezelig tevreden mannetjes op de gebruiksaanwijzingen van de Zweedse bouwpakketten. Om een oude kwalificatie uit de kast te halen: we verburgerlijken.

Ik ben uiteraard geen haar beter dan anderen. Daarom bid ik maar, dat ik nooit de vervelende gewoonte verlies, om mezelf en anderen te blijven lastigvallen met het Vreemde.

*) “Ich habe die schlechte Gewohnheit, anderen als merkwürdig aufzudrängen, was mir so erscheint.” Bron: Betrachtungen eines Unpolitischen, Berlijn 1920, blz. 29.

Theologie en kunst op het kruispunt

Onlangs werd ik door een uitspraak van de opkomende theoloog Michaela Quast-Neulinger wakker geschud. Ze karakteriseert de theologie als een ‘aangewezen wetenschap’. De theologie heeft nooit genoeg aan zichzelf, aldus Neulinger, maar moet het hebben van bronnen en hulpmiddelen die buiten haarzelf liggen. Eigenlijk weten ‘wij’ theologen, als het goed is, dit al allang en van huis uit. Maar het is goed, om eraan te worden herinnerd. Want theologie is gotbetert ook een vergeetachtige wetenschap. Nog even ons geheugen opfrissen dus.

De theologie moet zich enerzijds voortdurend laten voeden door de levende stroom van de traditie , een stroom die haar oorsprong vindt in de Bijbel. Dat kan de theologie niet door op eigen kracht terug te keren naar de bronnen – zoals het wel eens wordt weergegeven – maar alleen door zich open te stellen voor die voortdurend overvloeiende bronnen. Door zich open te stellen voor dat levende Woord, dat niet eens en voor al vastligt, maar dat goed beschouwd een voortdurende woordenstroom is, elke dag weer nieuw en fris. Zogenaamde ‘herbronning’ gebeurt dus niet door iets te doen, maar door iets toe te laten, door zich te laten bevloeien, beïnvloeden.  Het is niet iets actiefs, maar iets passiefs.

Anderzijds moet de theologie open staan voor andere levensbeschouwingen en voor actuele ervaringen en de uitdrukkingen daarvan in wijsbegeerte, literatuur, kunst en andere media. De theologie is niet alleen aangewezen op de Gans Andere en Zijn Woord, maar ook op de vreemden en anderen om haar heen. Die verrijken haar, brengen haar op ideeën en reiken haar vormen aan, om nieuwe en oudere ideeën te ‘articuleren’, zoals het technisch heet. Dit ‘aangewezen’ zijn is ook hier niet alleen een kwestie van een keuze: de anderen dienen zich ook ongenood aan.

De theologie bevindt zich altijd op een kruispunt, op een punt waarop deze twee lijnen samenkomen en elkaar kruisen: de ‘verticale’ lijn uit de traditie en de ‘horizontale’ lijn van de andere, hedendaagse  bronnen. Op zichzelf is de theologie een ‘leeg midden’ , zoals Karl Barth het uitdrukte. Pas door de schering en de inslag van de twee lijnen, krijgt de theologie betekenis en heeft zij iets te zeggen. Haar eigen zeggingskracht ontleent zij aan het gezag van het andere. En als zij die zeggingskracht eenmaal heeft ontwikkeld, kan zij op haar beurt een bron zijn voor anderen.

De theologie  kan hiervoor in de leer gaan bij de kunst. Ook de kunst staat altijd op een kruispunt en is aangewezen op de twee lijnen van de traditie en van hedendaagse bronnen. Mozart en Beethoven bouwden voort op hun voorgangers uit renaissance en de barok. Tegelijk citeerden ze volksliedjes die ze op straat hoorden en de muziek die ne Turkse legers naar Europa brachten. Schilders als Van Gogh en Monet lieten zich leiden door de grootmeesters uit de gouden eeuw, maar ook door Japanse prenten en door de onmiddellijke ervaring die ze opdeden als ze in de open lucht en op locatie schilderden.

De voorbeelden liggen dus voor het oprapen. Neem de annunciatie van Otto Dix uit 1950. Hierin laat de kunstenaar zich onverholen leiden door een klassiek onderwerp uit de kunstgeschiedenis: de aankondiging van Christus’ geboorte door de engel Gabriël aan de jonge Maria. Ook neemt hij gedeeltelijk de vormen- en kleurentaal over van oudere generaties kunstenaars, waaronder Matthias Grünewald. Tegelijk is Dix’ werk onverholen eigentijds en modern. De ervaringen van de gruwelen van de eerste helft van de 20e eeuw bepalen de grimmige sfeer ervan. Dix geeft uiting aan de angst van tijdgenoten, die zich aan hem opdringen, door Maria te schilderen als een meisje uit een burgerlijk milieu, dat in haar eigen kamer wordt overvallen door een indringer met wellicht gewelddadige bedoelingen.

Traditie en actualiteit kruisen elkaar in Dix’ opzienbarende werk. Ze dringen zich tegelijk aan hem op. Daardoor ontstaan vervreemding en ironie. De hedendaagse ervaringen aan de ene kant worden door deze vervreemding en ironie extra onderstreept en onder de aandacht gebracht. De traditionele beeldtaal aan de andere kant krijgt een ongekende indringendheid. Menig theoloog kan jaloers zijn op wat de kunstenaar hier voor elkaar krijgt.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Geloof weet raad met ironie.

Ironie is aan gelovige mensen niet altijd besteed. Dat is tot op zekere hoogte begrijpelijk. Ironie kan tot een verlammende onverschilligheid verworden, zeker als ze tot een levenshouding wordt die al ons doen en laten en al onze woorden en gedachten doordringt. Niets is dan meer echt van betekenis. Alles is dan relatief. Waarover zouden we ons dan druk maken? Als dan ook nog de religie zelf een mikpunt wordt van spot, dan komt ook het kritische potentieel daarvan niet meer tot zijn recht. Ons collectieve geweten wordt het zwijgen opgelegd door de dooddoener, dat ‘alles meerdere kanten heeft’. De tien geboden – dat handvest van de humaniteit – zijn dan niet meer uit steen gehouwen, maar een sneuvelstuk. Gedreven vanuit dit besef, is er altijd een religieus voorbehoud tegen spot geweest. Ironie mag geen vlucht zijn voor het uitdagende, ethische en transcendente karakter van het geloof.

Anderzijds is religiositeit zelf juist een belangrijke bron van relativering en ironie. Het is goed als wij onszelf een beetje relativeren en ons wat minder gewichtig opstellen – alleen al omdat anderen immers misschien net iets belangrijker zijn, om maar te zwijgen over de Ander bij uitstek. En omdat anderen misschien wel iets te zeggen hebben – en dus de moeite waard zijn om serieus te worden genomen. Ook en juist onze religieuze uitingsvormen – beelden en dogma’s, rituelen en instituties, heilige boeken en heilige vaders – mogen en moeten worden onderworpen aan de ironie, namelijk voor zover ze ook maar menselijke vaten en vehikels zijn van datgene wat zich uiteindelijk aan ons onttrekt. Precies omwille van het transcendente, is het van belang om de immanente expressies daarvan met een korrel zout te nemen. Voor we het weten, worden deze anders immers tot afgoden.

Gezapige, gemakzuchtige ironie: nee. Welbegrepen, zelfkritische ironie: ja. Cynisme dat ins in slaap wiegt nee. Spot die ons alert houdt: ja. Is dit ‘enerzijds anderzijds’ echter ook niet ook een vorm van ironische vrijblijvendheid? En wie of wat bepaalt uiteindelijk, wanneer er sprake is van het één en wanneer van het ander? Wie onderscheidt de ironische geesten? Ik denk dat het antwoord hierboven impliciet wel is gegeven: de toetssteen is de humaniteit. Ironie dient voort te komen uit bezorgdheid om het menselijke en zich ook op menselijke wijze te uiten – zoals dat uiteraard ook geldt voor ernst.

Kunnen we op dit punt iets leren van de kunst, het terrein waar de ironie bij uitstek thuis is? Maakt Rembrandt Jezus menselijker als hij hem als tuinman met strooien hoed en schep ten tonele voert? En gaat Max Ernst te ver, als hij een Maria afbeeldt die Jezus er ongenadig van langs geeft? Leiden deze beelden tot een bevrijdende lach? Relativeren ze onze menselijke voorstellingen? Of ontnemen ze het goddelijke alleen maar zijn indringende en prikkelende karakter? Grote ironici als Gerard Reve en Thomas Mann wisten door hun spot in elk geval de mens meer mens te maken en god meer god.

Iemand die er ook wel raad mee wist, was Jacques Offenbach, wiens 200e geboortedag we deze dagen hebben gevierd. In de tijd van de ronkende romantiek en de zichzelf overschattende laatbloei-keizersrijken in Europa, bracht deze zoon van een Joodse voorzanger in de Parijse theaters de nodige verlichting. Aan de hand van de Griekse godenwereld schilderde hij in zijn operettes een satirisch beeld van de jetset van zijn tijd. Hij liet de antieke goden – lees: de als zodanig vermomde afgoden van zijn eigen tijd – letterlijk met de billen bloot gaan in de cancan. Deze pikante dans is nog steeds goed voor een bevrijdende bulderlach.

 

Uil van Minerva of sluier van Maya? – Over het rad, dat ons voor ogen wordt gedraaid

Op de muzikale smaak van de leider van Forum voor Democratie heb ik op zich niets aan te merken. Integendeel. Iemand die de late pianomuziek van Brahms graag speelt, moet diep in zijn hart deugden. Des te meer frappeerde mij, samen met vele anderen, een tweet die hij een tijd geleden plaatste. Daarin sprak hij zijn weerzin en ontzetting uit over de zogenaamde atonale muziek, die hij hoorde zodra hij Radio Vier had aangezet. Voor Baudet is deze muziek blijkbaar een verschrikking en het summum van decadentie.

Ik weet niet welke muziek Baudet precies hoorde. Het kan niet heel wereldschokkend zijn geweest, want Radio Vier is over het algemeen erg behoedzaam in zijn programmering. De zender is wars van extremen en brengt bij voorkeur de grote middenmoot van het repertoire ten gehore. Het kan natuurlijk zijn, dat Baudet muziek hoorde van één van de toondichters, die honderd jaar geleden de vertrouwde toonsoorten en toonladders loslieten, om een nieuwe muzikale taal te ontwikkelen. De kans is groot dat het Alban Berg was, want diens hypermoderne vioolconcert is zelfs bij het grote publiek geliefd. Of wellicht was het de goede oude Arnold Schönberg*, de uitvinder van de nieuwe muziek en evenals als Baudet een groot fan van de pionier Brahms.

Misschien zou Baudet verbaasd zijn als hij zou vernemen, dat Schönberg en de zijnen eigenlijk hetzelfde beoogde als hij – tenminste: als datgene waarvan hij bewéért dat hij het wil: het ten val brengen van dominante en verstikkende tradities en instituten. Dat streven was er rond 1900 op tal van terreinen: de wijsbegeerte en de literatuur, de wetenschap, de architectuur en de kunst. Vooral Wenen, de bakermat van de ‘atonale muziek’, was het brandpunt van uiteenlopende revolutionaire bewegingen. Ze hadden één ding gemeen: ze zochten naar een nieuwe taal op de genoemde vakgebieden, vanuit het besef dat hun voorgangers aan het eind van hun Latijn waren gekomen. Alles wat in de oude taal werd uitgedrukt, klonk ongeloofwaardig. Die taal werkte eerder versluierend dan onthullend, eerder onderdrukkend dan uitdrukkend. De drift om uit dit keurslijf te breken was kenmerkend voor de nieuwe filosofie, de psychoanalyse, het expressionisme, het Bauhaus – en dus ook voor de nieuwe muziek.

Niet toevallig is het grootste en belangrijkste niet-tonale werk de opera ‘Mozes en Aaron’ van Schönberg. De opera gaat precies over de artistieke problematiek, zoals de componist die ervoer en zag: het verstommen en afstompen van de oude taal. Het verhaal van Mozes en Aaron bleek daarvoor een uiterst geschikte parabel. Mozes, de getuige van de verborgen God, vertegenwoordigt het besef van het niet zegbare, het niet toonbare, het onvatbare. Aaron daarentegen, die het ongeduldige volk tegemoet komt door het gouden stierenbeeld te laten maken, representeert de poging om het onbegrijpelijke te vatten en vast te leggen. In de opera is hem een welluidende  partij toegekend, terwijl Mozes het moet doen met een ongrijpbaar mengsel van zingen en spreken. Mozes erkent dat hij het instrumentarium ontbeert, om te zeggen wat hij zou willen en moeten zeggen. Zijn laatste woorden in deze (onvoltooid gebleven!) opera zijn een verzuchting: ‘O woord, dat mij ontbreekt!’

Schönberg en de zijnen experimenteerden. Dat leverde veel mooie muziek op en indringende werken als Mozes en Aaron. Uiteraard was ook veel van hun werk gedoemd, om het exclusieve onderzoeksterrein van muziekwetenschappers te worden of te blijven. Tegelijk hebben zij de generaties na hen – inclusief degenen die in beginsel trouw bleven aan de geijkte toontaal – uitgedaagd om binnen dat kader de grenzen op te zoeken en om zo creatief en avontuurlijk mogelijk te zijn. Schönberg en zijn volgelingen hebben samen met anderen mede bijgedragen aan het besef, dat we niet altijd kunnen blijven voortgaan op de gebaande wegen – of het nu is in de kunst, de wetenschap, de religie of de politiek. Wie dat wel doet, riskeert onoprechtheid en ongeloofwaardigheid, ideologische afstomping en ééndimensionale voorstellingen van zaken. Wie krampachtig vasthoudt aan de oude categorieën, kan geen recht doen aan een complexe werkelijkheid die altijd in beweging is. Wie, onder het mom van vernieuwing, zweert bij het oude en vertrouwde, creëert een dwazenparadijs. De voorbijvliegende schim van de uil van Minerva, waarna hij zelfgenoegzaam wijst, blijkt dan de sluier van Maya te zijn.

 

*) Inmiddels maakte een oplettende lezer mij erop attent, dat het door Baudet verfoeide muziekwerk een werk was van de tonale componist Rudolf Escher (1912-1980).

Het bovenstaande verscheen eerder op de website van De Bezieling.

Slow motion

Vanuit de ervaringen in onze kindertijd zijn we geneigd om saaiheid en verveling te associëren met dingen die te lang duren. Ik herinner me tergend trage vieringen in de kerk, lessen op school waaraan geen eind kwam en eindeloze, deprimerende zondagmiddagen. Hierbij rijst de vraag: ervoer ik deze zaken als vervelend doordat ze te lang duurden – of ervoer ik ze juist als onnodig langdurend doordat ze te weinig afwisseling bevatten? Ervaren we nu iets als saai omdat het te lang duurt of juist te lang durend doordat het saai is?

Dat saaiheid en tijdsduur kwesties van perceptie zijn, blijkt wel uit de kunst. Een kort muziekstuk kan mij soms al enkele minuten gaan vervelen, terwijl ik de tijd vergeet bij het luisteren naar een symfonie die meer dan een uur duurt. Bij sommige korte romans wordt ik al na tien bladzijdes ongedurig, terwijl ik in menig vuistdik boek ongemerkt op de honderdste bladzijde aankom.  Een groot componist of schrijver is in staat om een verhaal te vertellen, om in zijn werk verschillende lagen aan te brengen en ons voortdurend aan het denken te zetten. Daardoor verveelt hij of zij ons nooit. Een goed kunstenaar is als Scheherazade: we hangen ademloos aan haar of zijn lippen en vergeten de tijd. Zolang een lange compositie, vertelling of film maar meerdimensionaal is, vliegt de tijd. Voor deze paradox bestaan klassieke getuigenissen. Schumann prees de laatste symfonie van Schubert vanwege haar ‘hemelse lengte’ en Thomas Mann genoot van de ‘nobele saaiheid’ van de romans van de Oostenrijkse schrijver Adelbert Stifter (1805-1865).

De muziekleraar van mijn middelbare school vergeleek de romans en verhalen van Stifter met de symfonieën van Bruckner. En inderdaad ben ik de parallellen tussen deze kunstenaars steeds beter gaan zien. Ik ben in mijn leven steeds meer gaan genieten van hun werken, waarin alles zich in slow motion lijkt af te spelen. Na mijn jeugdige ongeduld te hebben overwonnen, raakte ik geboeid – ondanks of juist dankzij het feit dat de twee Oostenrijkse romantici uitgebreid de tijd nemen om hun verhaal te vertellen. Elke stap wordt uitvoerig belicht, elk detail in volle glorie belicht.  Daardoor lijkt de tijd te worden vertraagd. Als wij het kunnen opbrengen, om ons eigen tempo daaraan aan te passen, kunnen we volop genieten van het verhaal dat ons wordt verteld.

Stifter waagde zich overigens ook aan de schilderkunst. Hij was een verdienstelijk amateur. Zijn beeldende werk lijkt vooral bedoeld als een oefening om stil te staan bij de details van de realiteit die hem omgaf. Hij noemde zijn schilderijen van wolkenluchten, stenen, boomstammen, rotsen en verstilde gebouwen en landschappen niet voor niets vaak studies.  Opmerkelijk genoeg legde hij zich aan het eind van zijn loopbaan toe op studies van wat hij ‘beweging’ noemde. Het uitgangspunt was een rotsblok in een beek en omspoeld door het eeuwig stromende water. Blijkbaar was hij gefascineerd door de paradox van het eeuwig gelijke en veranderlijke, van stilstand en stroom in één, die zich in dit gegeven toonde. Het boeide hem zo, dat hij bijna abstract te werk ging om, achter het alledaags-natuurlijke tafereel, dit universele raadsel bloot te leggen – dat wellicht de sleutel vormt tot zijn eigen vertelkunst.

Kunstenaars als Bruckner en Stifter wisten de tijd te vertragen en te focussen op het detail en het moment, om daarin het eeuwige te betrappen. Als wij onze tred aanpassen aan hun tempo, en in slow motion genieten van hun werk, gaat een wereld voor ons open en kennen we geen verveling meer.

 

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Grote-mondigheid

Verlegen of onzekere mensen zijn vermoeiend. Ze hengelen voortdurend naar bevestiging en willen met regelmaat horen dat ze niet lastig zijn. Het is ook nooit duidelijk wat ze echt willen. Zelf was ik ook vroeger ook zo. Totdat iemand mij duidelijk maakte, dat ik hem op zijn zenuwen werkte door voortdurend te vragen of ik hem niet verveelde. Ik zat in een cirkel gevangen. Gelukkig kon ik daar mettertijd uit ontsnappen.

Het tegenovergestelde zijn mensen die voortdurend voor zichzelf opkomen. Bij de één is dat de aard van het beestje of een bewuste strategie. Bij de ander is het iets wat zij of hij heeft geleerd, omdat hij of zij van huis uit schuchter was. Men heeft hem of haar toen geleerd om ‘assertief’ te zijn.  Gezellig is anders. Als mijn netwerk alleen bestaat uit mensen die haantje-de-voorste willen zijn, scheurt het op den duur door. Uiteindelijk zijn de bescheidenen toch wat socialer.

We komen dit ook tegen in de samenleving. Sommige groepen zijn erg bescheiden en stil. Ze hebben geen toegang tot de podia, waarop de camera’s zijn gericht. Ze zijn erop aangewezen dat iemand anders het voor hen opneemt.  Daar tegenover staan de goed gebekte en mediagenieke groepen die de aandacht weten te krijgen. Ze beroepen zich bijvoorbeeld op het feit, dat hun verre voorouders slachtoffers waren van onderdrukking. Alles wat hun dwarszit brengen ze daarmee in verband. Of ze beschikken over gele hesjes en auto’s om snelwegen mee te blokkeren. Met hun slachtoffer-retoriek chanteren ze hun medeburgers en met hun zogenaamd mondige gedrag zetten ze anderen voor het blok.

In onze samenleving geldt het recht van de luidste. De brutalen hebben de halve wereld, zei mijn moeder. Ze leerde mij echter ook dat bescheidenheid op lange termijn loont. Ik weet dat niet meer zo zeker, maar ik blijf hopen.

***

De bovenstaande column verscheen eerder in Ad Rem.