Monthly Archives: juni 2020

Leven we in een liminale tijd?

Met grote vanzelfsprekendheid zijn we de huidige pandemie een crisis gaan noemen. En dat is ze ook. Maar het woord crisis is ook een containerbegrip voor allerlei soorten van ontreddering. Het roept dan ook de vraag is, waarin nu precies het ‘kritische’ van de actuele situatie bestaat. Ik vermoed dat dit is gelegen in  de wereldwijde  ervaring van liminaliteit. Dit begrip – afkomstig uit de culturele antropologie en uitgevonden door Arnold van Gennep (1873-1957) – verwijst naar het niemandsland of de ‘niemandstijd’ waarin mensen verkeren als ze (letterlijk of figuurlijk) het vertrouwde land van herkomst hebben opgegeven, maar nog niet zijn aangekomen aan de overkant.

Dat niemandsland tijdens de oversteek kan bewust zijn georganiseerd of iets zijn wat ons overkomt. Het vindt bijvoorbeeld plaats tijdens een overgangsritueel of een initiatie. (In het onderzoek daarnaar is het begrip ook ontstaan.) Het overkomt echter ook velen (niet allen), die vanwege hun beroep of roeping bewust ervoor kiezen, om het eigen milieu te verlaten en zich bloot te stellen aan een andere leefwereld en cultuur: als wetenschapper of onderzoeker, als zendeling of missionaris, als hulpverlener of militair – of gewoon als avonturier of backpacker.

Kenmerkend aan de liminaliteit is het wegvallen van elk houvast en van elke grond onder de voeten, het verlies van alle mentale middelen om de weg te vinden in de realiteit en er greep op te krijgen*). Alle structuren vallen weg en er begint een fase van volstrekte stuur- en structuurloosheid. Moeizaam zwemt de persoon in kwestie door het kolkende water, tastend en spartelend op zoek naar de andere oever, om daar geleidelijk weer te leren lopen. ‘Inburgeren’ heet dat eufemistisch, in een bepaalde context.

Het voorbeeld van de missionaris spreekt boekdelen. Zij of hij vertrekt naar een ander werelddeel, in de verwachting de mensen aldaar vertrouwd te maken met datgene wat haar of hem allang vertrouwd is en waarop zij of hij haar of zijn vertrouwen stelt. Feitelijk gebeurt niet zelden het omgekeerde: de zendeling valt van haar of zijn geloof. Alles wordt onderuit en overhoop gehaald, waarop zij of hij bouwde. En pas moeizaam en geleidelijk ontstaat er een nieuw overzicht en uit de brokstukken een nieuw bouwwerk: op een vreemde, nieuwe wijze vertrouwd. Het is een dramatisch gebeuren en niet voor niets is de missionaris een geliefd personage in romans en films.

Als concept of metafoor is de liminaliteit ook toepasbaar op de ogenschijnlijk minder dramatische, maar niet minder ingrijpende mentale processen bij monniken, denkers en kunstenaars. Deze processen doen zich voor, als de laatstgenoemden in een ‘crisis’ terecht komen, doordat er zich iets aandient wat te groot is of te anders voor hun begrippen en routines, doordat hun methodische instrumentarium niet meer helpt om op dat grote en andere vat te krijgen. De drempelervaring – om liminaliteit zo letterlijk mogelijk te vertalen – is dan het moment van hun ‘wending’, het moment dat ze de ene ‘periode’ achter zich laten voor de andere. Vaak gaat het daarbij om een langere tussenfase, een woestijntijd, waarin het stil wordt rond de geestelijke, de wetenschapper of de artiest, totdat ze hun publiek verrassen met een volstrekt nieuwe aanpak. De monnik wordt een mysticus, de denker een meester en de kunstenaar een genie.

Maken we nu niet als mensheid een collectieve liminaliteitscrisis mee? Het lijkt er wel op, gezien de grote radeloosheid en onthandheid. En deze ervaring kan misschien ook vruchtbaar worden. Plat gezegd: we kunnen er wellicht van leren. We kunnen het failliet van oude vormen en gedachten gaan inzien. Of dat echt gebeurt, hangt uiteindelijk van onze instelling af. Niet van alle crisissen, eigenlijk van geen enkele, hebben we echter veel geleerd. En ik vrees eerlijk gezegd het ergste, als ik zie hoe wij – ik zonder me zelf niet uit – zo gretig staan te dringen en te trappelen voor de deur van de langzaam weer opengaande schijnnormaliteit, als shopverslaafden voor de uitverkoop**).

De crisis is geen ‘kans’, maar plaatst ons voor het blok. In het Duits heet dat zo mooi: ze brengt ons in ‘Zugzwang’. We zijn aan zet. Onze speelruimte daarbij is beperkt, maar verlamd hoeven we ons niet te voelen.

_______________________________________________

*) Het woord ‘ervaring’ is dan ook eigenlijk wat contradictoir in dit verband, omdat ervaring altijd veronderstelt dat er kaders zijn, waarbinnen de realiteit überhaupt ervaarbaar wordt en dat er een ik is dat deze realiteit ordent. Kenmerkend voor liminaliteit is nu juist, dat zelfs deze regie van een ervarend ik wegvalt. Er is eerder sprake van een volstrekte desoriëntatie, verlamming en verblinding.

**) Als ik dicht bij huis blijf (daar vind je immers altijd de beste voorbeelden), dat wil zeggen in mijn eigen kerkelijke leef- en werkwereld, zie ik dit laatste nu met plaatsvervangende schaamte gebeuren. Nu zal ik de laatste zijn om zalvend te beweren dat ‘de crisis een kans’ was, laat staan dat ‘God ons iets wil zeggen’. Maar het is wel een realiteit, dat we hardhandig naar een nulpunt zijn teruggebracht wat onze structuren en praktijken betreft. De steeds meer tot een schijnvertoning geworden eredienst is aan het eind van haar Latijn gekomen. En nu we de afgelopen maanden toch met de rug tegen de muur stonden, hadden we in elk geval van de nood – want een nood blijft het – een deugd kunnen maken. Het lijkt er echter op, dat we met zijn allen zijn terug gezwommen naar de oude oever. En dat we daar nu aan de afgoden van onze klerikale rituelen een dankoffer brengen voor de redding (voor zover daarvan sprake is).

Wat is waar? Een wankelend statement over de antiracistische bewegingen en acties

Demonstraties verbieden en indammen of toelaten? Standbeelden neerhalen van helden, die in de geschiedschrijving al van hun voetstuk waren gevallen, of niet? Mensen van de BDS-beweging (de beweging die Israël maximaal wil boycotten) op hun beurt boycotten, of niet? Welk life matters en welk in minder mate? Wie heeft er gelijk en wat is waarheid? Ik weet het soms echt niet. Misschien ook, omdat er geen Gelijk bestaat en er geen Waarheid is. Er zijn wel bepaalde dingen waar, denk ik.

Waar lijkt me, dat er in de (On-)Verenigde Staten van Amerika onveranderd een messcherpe scheidslijn loopt tussen zwart en wit, een kloof die de samenleving en de politiek meer dan ooit polariseert. Waar lijkt me verder, dat deze problematiek diepe wortels en vergaande gevolgen heeft, dat ze dieper en verder gaat dan culturele regelingen en politieke maatregelen kunnen gaan. Waar lijkt me, dat de scheidslijn diep is verankerd in het dagelijks leven (met andere woorden: ‘systemisch’ is) en dat ze dus niet van vandaag op morgen kan worden veranderd – hetgeen overigens een reden is, om daar vandaag al een begin mee te maken. Waar lijkt me ook, dat het gevaar van een nieuwe burgeroorlog (als die er niet al is) op termijn niet ondenkbaar is, zeker als de toenemende verharding niet stopt en zolang degene die daarin een cruciale rol kan vervullen, de president, iemand is die zichzelf niet in de hand heeft, laat staan zijn land.

Waar lijkt me, dat ook in Europe racisme zijn wortels en haarwortels diep in de poriën van de samenleving, de economie en de cultuur heeft vastgezet – zij het lang niet in die mate als in de USA – en dat we er nog lang niet zijn, alle ingezette middelen ten spijt. Waar lijkt me ook, dat een opeenstapeling van frustraties, vernederingen en teleurstellingen in het dagelijks leven bij zwarte mensen ertoe leidt, dat gebruiken en objecten (lees: Zwarte Piet en standbeelden) meer zijn dan kinderspel en grote-mensen-speelgoed. Waar lijkt me, dat er niet zoiets bestaat als ‘slechts symbolen’, dat symbolen daarentegen harde materie zijn. Waar lijkt me, dat schelden wel degelijk pijn doet.

Waar lijkt me, dat de geschiedenis geen gesloten boek is, dat collectieve herinneringen zo sterk kunnen zijn verweven met het eigen levensverhaal, dat ze tot een vorm van fantoompijn worden, dat er erfelijke trauma’s uit ontstaan – met het recht om als zodanig erkend te worden. Waar lijkt me ook, dat ik die fantoompijn niet kan wegredeneren. Ook lijkt me waar, dat het relativeren van gevoelde of ervaren vernedering in het dagelijks leven niet werkt – net zo min als ik bij iemand het gevoel van schaamte kan wegredeneren, als ik haar of hem in het sociale verkeer heb geschoffeerd of als ik me anderszins niet aan elementaire beleefdheidsregels heb gehouden. (Ik ga immers niet alleen over die regels en dus ook niet over de gevolgen van de overtreding ervan.)

Waar lijkt me verder, dat niet alles racisme en een belediging is en dat niet iedereen kan claimen, zwart te zijn en beledigd te worden. Waar lijkt me dat sommigen maar al te gretig in de slachtofferhuid kruipen.

Waar lijkt me ook, dat ik als witte man het recht heb, om te protesteren tegen racisme, ook als niet-slachtoffer. Waar lijkt me verder, dat er witte mannen zijn, die zelf het slachtoffer zijn van extreemrechts geweld en dat deze ervaring misschien ook solidariserend kan zijn. Waar lijkt me, dat ik weliswaar niet kan eisen, dat mijn solidariteit wordt aanvaard, maar dat ik wel het recht heb om het aanbod te doen.

Waar lijkt me, dat antiracisme onlosmakelijk verbonden moet zijn met een onvoorwaardelijke inzet tegen antisemitisme – en dat dit nogal eens ontbreekt. Waar lijkt me, dat het niet aangaat om als antiracist te zeggen ‘dat je niets hebt tegen Joden, maar…’ (en om dat dan BDS te noemen); waar lijkt me ook, dat het woord antizionisme vaak een erg doorzichtige dekmantel is voor subtiel antisemitisme. Waar lijkt me ook dat je, als je het bestaansrecht van Israël indirect en feitelijk ter discussie stelt, je er dan ook bij moet zeggen, waar het eeuwig vogelvrije Joodse volk dan naar toe moet? Waar lijkt me ook, dat er aan antiracistische acties soms ook mensen meedoen, die bij historisch of hedendaags geweld tegen andere volkeren wegkijken of die dit wegpraten, omdat hun Leider in Ankara dat zo wil. Waar lijkt me, dat dit gegeven het soms erg moeilijk maakt, om onkritisch te kijken naar deze acties en om er onbekommerd aan mee te doen.

Waar lijkt me overigens ook, dat we, zonder bij voorbaat alles met de mantel der liefde te bedekken, tolerant moeten zijn als we fouten maken. Waar lijkt me ook, dat het verlammend is, om elkaar meteen het woord te ontzeggen, als we nog zoeken naar de juiste formuleringen en ons daarbij soms wat ongelukkig of onwennig uitdrukken. Waar lijkt me ook, dat het nergens toe leidt als we elkaar voortdurend op de vingers tikken, in plaats van te proberen de handen inéén te slaan. Waar lijkt me vooral, dat het racisme de vijand is. En dat wij, slachtoffers en anderen, niet elkaars vijanden zijn, maar samen de vijanden van dit racisme.

Waar lijkt me tenslotte, dat je kunt discussiëren over het bovenstaande wankelende statement. Waar lijkt me, dat er dan ook moet worden gediscussieerd – en niet worden gehoond of weggekeken.