De moed om het dilemma het dilemma te laten

Radiodominees zijn vaak goed voor gekromde tenen. Het overkwam me onlangs weer, toen ik achter het stuur zat te luisteren naar mijn favoriete zender. Dit keer vertelde de zielzorger met ingehouden, maar nauwelijks ingehouden dramatiek en fierheid, hoe zijn familie in 2020 was omgegaan met een gevolg van de pandemie. Zijn oude moeder lag destijds op sterven in het ziekenhuis. Om de bekende redenen was het niet mogelijk, dat het voltallige gezin afscheid nam. De dominee vertelde, dat hij samen met zijn zussen en broeders toch maar het risico had genomen. De laatste adem was uiteindelijk uitgeblazen in aanwezigheid van het volledige nageslacht.

Het gezin had geen spijt van de beslissing, om de nabijheid aan moeder te laten prevaleren boven het volgen van de regels. En op dit moment van het radiopraatje kwam de spirituele aap uit mouw: “Je moet immers”,  aldus de Bijbelvaste predikant: “God soms meer gehoorzamen dan de mensen!” Met andere woorden: soms veroorlooft, ja eist ons geweten, om in te gaan tegen de menselijke wetten. In dat geval ging het gebod van de ouderliefde vóór de gehoorzaamheid aan de overheden.

Ik was gechoqueerd. Niet omdat ik een farizeïsche ijveraar wil zijn voor regels en wetten. En zeker niet, omdat ik vond dat mijn collega een andere beslissing had moeten nemen en de liefde voor zijn moeder had moeten opofferen. Integendeel: ik zou waarschijnlijk hetzelfde hebben gedaan. Het probleem is, dat zijn motivatie en rechtvaardiging uitgingen van de verkeerde uitgangspunten en categorieën.

In een situatie als de geschetste (een situatie die het afgelopen jaar velen is overkomen), is het heel goed denkbaar, invoelbaar en verdedigbaar, dat iemand de hygiëneregels schendt omdat hij of zij de nood voelt, om zijn of haar stervende naaste nabij te zijn. Het is immers een dilemma, een kwestie van kiezen tussen twee kwaden. Dat daarbij het hart wordt gevolgd, is legitiem en moreel niet verwerpelijk. Het dient echter altijd gepaard te gaan met het besef, dat het een conflict is binnen het eigen geweten, een conflict tussen twee doorleefde verplichtingen of, om het bijbels uit te drukken, geboden. Het geweten komt hier nooit zonder kleurscheuren uit.

Het probleem met de radiopastor was, dat hij meende, aan dit interne conflict te kunnen ontkomen door er een extern conflict van te maken tussen aan de ene kant zijn eigen geweten en aan de andere kant de regels. Zo kon hij zijn geweten redden en vrijpleiten – psychologisch gezien een begrijpelijke behoefte overigens – en de zwarte piet van het conflict leggen bij de bedenkers en opleggers van regels, waarmee hij zelf ethisch niets te maken had. Hij hoefde niet de moed op te brengen, om in te staan voor de vuile handen die hij onvermijdelijk maakte in het kader van zijn tragische keuzesituatie of dilemma.

Het is een illustratief voorbeeld van de manier, waarop velen – en niet alleen corona-ontkenners – omgaan met de vele dilemma’s, waar de pandemie ons mee confronteert: in de relationele sfeer, in de zorg, het onderwijs of de economie. Ze ontkennen het bestaan van tragische keuzes en dilemma’s en maken zichzelf tot slachtoffers of helden van de aanvaringen met regels, regels waarvan ze blijkbaar vinden dat ze vooral een bureaucratische rationaliteit hebben en dat ze hen inhoudelijk niet aangaan. Dat is ten diepst hoogmoedig, maar vooral getuigt het van een gebrek aan moed en eerlijkheid en van een gebrek aan solidariteit met die vele anderen, die dagelijks vechten met dilemma’s: experts, zorgverleners en beleidsmakers incluis.

De bekering tot een open zelf

Een ontsnappingspoging uit de impasse van de identiteit

In een sombere bui, ben ik al snel geneigd om overal symptomen van decadentie te zien. Ik weet niet of dat zo ongezond is. Misschien is pessimisme te verkiezen boven achterdocht. Misschien kun je beter overgevoelig zijn voor tekenen van verval dan overal complotten zien. Misschien is het humaner, om je medemensen als latent zieken te zien dan als heimelijke vijanden. Liever cultuurconservatief dan populist, zeg maar.

Eén van de symptomen van verval van onze cultuur zie ik in de driehoek van drie ‘teiten’: authenticiteit, spiritualiteit en identiteit. In media, in het dagelijks leven, in de kunst domineert een bijna manische focus op deze drie verschijnselen.

Authenticiteit

Ten eerste moeten veel individuen moeten zichzelf zijn, van hun hart geen moordkuil maken en ons direct vanuit hun ‘hart en ziel’ aanspreken. (Tenminste: dat moeten ze van zichzelf. Ik heb daarom niet gevraagd.) Naarmate ze daarin meer slagen, zijn ze ook onfeilbaarder, want wat uit dat ‘hart’ of die ‘ziel’ komt is per definitie waar – of in elk geval niet voor argumentatieve discussie vatbaar. Dit ‘expressionisme’ kan geen ongelijk hebben, want de expressionist is zijn of haar eigen maatstaf.

Spiritualiteit

Ten tweede duikt in de commercie, in de low culture en in de high culture te pas en te onpas het begrip inspiratie op. Hoewel het woord door zijn herkomst iets bovenaards en onlichamelijks suggereert, is het juist sterk verbonden met de ‘esthetisering’ (in de zin van ‘verzintuigelijking’) van onze cultuur, waarin het belevenis- en gebeurteniskarakter het criterium wordt voor waarde en betekenis. De consumptie van een product of de deelname aan een cultuuruiting moet iets met me ‘doen’, mij op andere gedachten en gevoelens brengen – zonder dat men daarbij ingaat op de inhoud daarvan. Hoofdzaak is dát er in iets in me teweeg wordt gebracht en dát ik in vervoering wordt gebracht. Discussie over waarde en betekenis wordt niet op prijs gesteld. Wat mij wordt ingefluisterd door de geesten, al dan niet vertolkt door ‘influencers’, is waar en goed.

Identiteit

Authenticiteit en spiritualiteit zijn op het oog politiek nog neutraal. Van identiteit kun je dat niet meer zeggen. Identiteit wordt geclaimd door mensen, die zichzelf en anderen definiëren als in hun ‘wezen’ behorend tot een bepaalde categorie. Uit het lidmaatschap van die groep – een groep die uiteraard een constructie is, als het al geen fictie is – leidt men dan rechten, voorrechten, geboden en verboden af. Als men zelf tot een benadeelde groep hoort, gaat het voorrecht zelfs zover, dat men buiten of boven het recht staat en binnen een eenzijdig uitgeroepen noodtoestand anderen het zwijgen mag opleggen, met welke middelen dan ook.

Er zit in deze drie verschijnselen een rode draad. Alle drie leiden ze tot een verlamming en verzieking van het samenleven. Authentieke mensen stellen zich vaak allerminst ‘kwetsbaar’ op, maar, zoals gezegd, juist onfeilbaar. In feite zijn ze gewoon voortdurend gekwetst, hetgeen is anders is dan kwetsbaar. Kritiek wordt niet op prijs gesteld – en bij de ‘bezielden’ zeker geen kritiek op hun goeroes en andere ‘inspiratoren’. Ze maken de bodem om zichzelf heen glibberig en iedere toenadering en poging tot conversatie is bij voorbaat gedoemd te blijven steken in een uitwisseling van monologen. Bij identiteitsfetisjisten wordt de glibberige bodem zelfs tot een mijnenveld en een bomgordel. Als de gekwetste zichzelf verschanst in het narratief van slachtofferschap, kun je haar of hem alleen nog maar met een witte vlag benaderen.

Maar laat ik maar heel authentiek ‘bij mezelf blijven’. Misschien moet ik gewoon zeggen dat ik er allemaal ‘niets mee kan’? En dat dit biografische oorzaken heeft? Inderdaad. Ik ben opgegroeid in een religieuze gemeenschap – de katholieke kerk – waarin spiritueel egocentrisme van alle tijden was, waarin het de cultuur van het zelf de laatste decennia zelfs is gaan woekeren. Ik hoor tot een kerkelijke groepering waarin we het beter wisten dan anderen en waarin we groepen van mensen (vrouwen bijvoorbeeld) op essentialistische wijze vastlegden op een identiteit. Ik hoor tot een culturele groep, waarbinnen we onszelf vanouds tot slachtoffers stileerden van de ‘anderen’. Dit alles verklaart wellicht mijn allergie tegenover de beschreven fenomenen.

Waar echter het gevaar dreigt, groeit ook het tegengif. In de ‘christelijke’ traditie wordt ons ook steeds weer een spiegel voorgehouden. Er wordt ons steeds weer gezegd, dat het in de navolging niet gaat om het koesteren van een naar binnen gekeerde authenticiteit of van een om zichzelf draaiende identiteit. Navolging betekent daarentegen de bekering tot een ‘gastvrij zelf’, dat de ander in zichzelf laat wonen. Navolging is het bloot leggen van een ‘open zelf’, dat niet zichzelf, maar de ander als (potentieel) ‘slachtoffer’ (van mij) ziet. Hier is geen sprake van exhibitionistische ‘kwetsbaarheid’ of tot de tanden gewapend slachtofferschap, maar van oprechte ‘ongewapendheid’. Hier is geen sprake van ‘bezield’ worden, maar van ‘bezeten’ worden door de berooide ander, die een appel op mij doet en mij aanklaagt.

Ik ben de ander. Daarom doe ik niet mee met de drie ‘teiten’, die in feite hedendaagse uitingsvormen van farizeïsme en kleinburgerlijke benepenheid zijn. En als u me daarop betrapt: schreeuw me dat dan in mijn uren. En lap mijn ‘comfort zone’ aan uw laars.

Heiligabend

Sinds enige tijd verblijf ik onder de Germanen. Gelukkig ben ik getraind in interculturele communicatie. Geen overbodige luxe, want een bezoek aan de Inuit of de Pygmeeën is een feest van herkenning, vergeleken met een langdurig verblijf alhier. In het binnenland van Suriname is het internet bijvoorbeeld beter, dan in de agglomeratie, waar ik nu woon. En uit een discussie met een ambtenaar kom je hier nooit zonder kleerscheuren tevoorschijn. Na een bezoek aan een postkantoor, stond me eens het huilen nader dan het lachen. ‘Wij hebben tenminste nog postkantoren, jullie niet!’ zei een Duitse vriend, bij wie ik mijn beklag deed. ‘Wij hadden in de twintigste eeuw wel meer instellingen niet, die jullie wel hadden’ – dacht ik. Ik zei het maar niet. Het is alweer wat gezakt trouwens.

Corona heeft hier ook heel andere implicaties. In de zomer begon menigeen al een lichte paniek te ontwikkelen, toen bleek dat de start van het carnavalsseizoen wel eens in het water zou kunnen vallen. Dat is inderdaad een ‘Zumutung’, vooral in het Rijnland. Je kunt beter op de Veluwe een ouderling zijn Statenbijbel afpakken. Nee. Als het over carnaval gaat, hebben vooral de Rijnlanders niet echt veel gevoel voor humor.

Het bleek nog erger te kunnen. Want van de Noordzee tot de Alpen, van de Rijn tot aan de oostgrens hebben Duitsers één ding wat hun bijzonder heilig is. Het heet ook zo: ‘Heiligabend’. (Die duurt overigens de hele dag.) Er worden cadeaus gegeven, men gaat naar de kerk, versiert het huis, eet goed en leeft in pais en vree. Weken van tevoren komt men in de stemming: mensen krijgen een marsepeinen hart en nemen de wereld waar door een vakwerkhuisjesraster. Deze sprookjeswereld ligt dit jaar aan duigen. Het is het ergste wat een Duitser kan overkomen: een jaar zonder ‘Heiligabend’! (Dat men op 25 december doorgaans een familieruzie en een kater rijker is, vergeet men gemakshalve. ‘Heiligabend’ is een in mierzoete chocolade verpakte teleurstelling.)

Toch was en is de advent ook dit jaar een mooie tijd, ook voor mij als immigrant. En er zijn onverwachte lichtpuntjes. Zo werd op 7 december de knieval van Willy Brandt in Warschau herdacht. Kippenvel. Duitsland is toch meer dan een grote houten-speelgoedwinkel voor grote mensen. Het is ook een land, dat tot nu toe op een zeer volwassen manier omging met zijn eigen geschiedenis. Tot nu toe, want als ‘dwarsdenkers’ vermomde neofascisten peuteren inmiddels weer aan de grondslagen van deze fantastische rechtsstaat.

Maar goed. Dat is niet typisch Duits.

Vrijzinnigheid als hartstochtelijk zoeken

Er was een tijd, dat het een avontuur was om als ‘christen’ vrijzinnig te worden. Je week dan af van de mainstream en maakte je in sommige kringen onmogelijk. Met halsbrekende toeren stak je een kloof over en ging dan eenzaam aan de overkant wonen. Je deed dat dan ook alleen, als het echt niet meer anders kon, als je op de vlucht was voor geestdodende en adembenemende strengheid. De rechtzinnigheid verlaten deed je met de moed der wanhoop in je schoenen.

Inmiddels zijn de harde kantjes van de confessies afgesloten en is de rechtzinnigheid in de meeste kerken zo mak geworden als het Lam zelf. De grote belijdenisgebonden geloofsgemeenschappen zijn  zo veilig geworden als een speelplaats met rubbertegels of een antroposofische houten-speelgoed-winkel, waar alles ronde hoeken heeft. Je kunt je niet meer zo gauw bezeren aan de getemde belijdenissen en je hebt dan ook minder de behoefte om een vrijzinnig heenkomen te zoeken…. als je dat wel doet, dan kijkt niemand ervan op. Je hoeft niet bang te zijn, om je een buil te vallen of onbedoeld tegen schepen te schoppen. Vrijzinnigheid is van een vrijplaats tot een ‘niche’ geworden, een veilig nest. Geen statement, maar een kwestie van smaak.

Ik noem mezelf sinds enige tijd vrijzinnig en, nog preciezer, remonstrant. Wat betekent dit in het licht van het bovenstaande? Om een antwoord te vinden, heb ik wat onderscheidingen gemaakt – niet op basis van een encyclopedische kennis met betrekking tot de vrijzinnigheid, maar op basis van een min of meer intuïtieve beschrijving van vrijzinnige verschijningsvormen.

1. Ten eerste is er de affirmatieve of alles-beamende vrijzinnigheid. Deze ziet in elk water de zon schijnen en laat alle bloemen bloeien. In elke bewering zit wel een kern van spirituele waarheid, in elke beweging wel een zucht van Gods Geest, meent zij. Iedere uil mag zichzelf een valk noemen. Met name de esoterie en de wellness-geestesgesteldheid worden geprezen als heilige bronnen, die een welkome aanvulling vormen op de Schriften. De affirmatieve vrijzinnigheid is in staat van een glas water een kelk met wijn te maken. Zo houdt ze iedereen te vriend en ligt ze niet wakker van zichzelf en anderen. Het risico van deze versie is dan ook, dat ze van vrijzinnigheid wordt tot vrijblijvendheid.

2. Daartegenover staat dan ook de kritische vrijzinnigheid: die ziet juist het tekortschieten en de leegte van elke gelovige bewering en symbolisering. Uiteindelijk zijn alle geloofsuitingen stukwerk en brozen en poreuze vaten, zegt zij. Daarom moeten ze zeer kritisch, ja sceptisch worden bekeken. Dat begint meestal dicht bij huis: bij de belijdenissen en andere uitingsvormen in kerkelijke kring. Alleen zelfkritiek geeft ‘ons’ het recht, om kritisch jegens anderen te zijn. Kritische vrijzinnigheid ziet vooral het half lege glas bij zichzelf en anderen. (Uit bescheidenheid en hoffelijkheid wil ze overigens het glas van de anderen ook wel als half vol betitelen.)

3. Velen blijven staan bij deze (zelf-)kritiek. Zo ontstaat een variant van vrijzinnigheid, die ik agnostisch quiëtisme zou willen noemen. Deze berust erin, dat we niets weten en dat al onze pogingen om ons geloof te verwoorden vergeefs zijn. Ze geeft het op, om actief op zoek te gaan en laat Gods water over de eigen dorre akker lopen en ziet wel wat daarvan komt. Deze houding kan verworden tot een soort gemakzucht, die het spiegelbeeld is van de krampachtigheid van starre rechtzinnigheid.

4. Er zijn echter ook (zelf-)kritische vrijzinnigen, die niet tevreden zijn met het half lege glas en niet willen rusten op de lauweren van de scepsis. Ze zien de gebrekkigheid van geloofsuitingen als een uitdaging, om te werken aan verfijning, aanscherping en verdieping. Ze zijn zoekers, niet in de modieuze zin van vrijblijvende flaneurs en snuffelaars, maar in de doelgerichte en zelfs een beetje fanatieke zin. In alle bescheidenheid erkennen ze, dat ze de waarheid nooit op eigen kracht zullen bereiken, maar dat het de moeite loont om stapje bij stapje het doel te naderen. Zij zijn de rusteloze, hartstochtelijke en volhardende zoekers naar het koninkrijk (Mt. 6,33). Ze worden niet ongeduldig, zolang ze niets vinden – waardoor de verleiding kan ontstaan om alsnog het bijltje erbij neer te gooien – maar vertrouwen erop, dat hun zoeken zichzelf zal belonen. Misschien hebben ze dan ook wel meer gemeen met de welbegrepen rechtzinnigheid, dan ze denken (en vice versa).

De lezeres of lezer begrijpt waarschijnlijk wel, dat ik de vierde verschijningsvorm van vrijzinnigheid prefereer. Ze is de minst burgerlijke en minst risico-mijdende van de vier. Ik matig me niet aan, dat ik dit ‘stadium’ heb bereikt. De verleiding van agnostisch quiëtisme blijft bestaan. God geve echter, dat ik in mijn leven ooit zover kom, dat ik een begin maak met de weg naar het doel ver achter de horizon.

***

PS. Misschien zei Lessing het allemaal wat compacter:

“Nicht die Wahrheit, in deren Besitz irgendein Mensch ist oder zu sein vermeinet, sondern die aufrichtige Mühe, die er angewandt hat, hinter die Wahrheit zu kommen, macht den Wert des Menschen. Denn nicht durch den Besitz, sondern durch die Nachforschung der Wahrheit erweitern sich seine Kräfte, worin allein seine immer wachsende Vollkommenheit bestehet. Der Besitz macht ruhig, träge, stolz – Wenn Gott in seiner Rechten alle Wahrheit und in seiner Linken den einzigen immer regen Trieb nach Wahrheit, obschon mit dem Zusatze, mich immer und ewig zu irren, verschlossen hielte und spräche zu mir: wähle! Ich fiele ihm mit Demut in seine Linke und sagte: Vater gib! die reine Wahrheit ist ja doch nur für dich allein!”

“Het is niet de waarheid, die iemand in bezit heeft of meent te hebben, doch de oprechte poging die hij doet om de waarheid te ontdekken, die iemands waarde uitmaakt. Omdat het niet door bezit, maar door het onderzoeken van de waarheid is, dat iemands krachten zich ontplooien en waarin iemands vervolmaking bestaat. Bezit maakt je kalm, traag, trots. Als God alle waarheid in zijn rechterhand zou houden en in zijn linkerhand de enige, altijd actieve drang naar waarheid, met de bijsluiter, dat ik daarbij altijd en eeuwig zou dwalen, en dan tegen mij zou zeggen: kies! – ik zou mij nederig op zijn linkerhand storten, zeggende: Vader, geef! De pure waarheid is alleen voor jou!”

***

God als aleatorisch kunstenaar

Meer mensen dan ooit hebben dit jaar de vakantietijd doorgebracht in rustige oorden. Stedentrips en reizen naar drukke stranden waren minder in trek. In plaats daarvan bezochten velen het bos, de heide of het water in de nabijheid. Wie het zich kon veroorloven, zocht ruige kusten op of verstilde bergdorpen. Al met al was deze tijd een uitgelezen kans, om religieuze ervaringen op te doen. Het schijnt immers zo te zijn, dat we God bij uitstek op het spoor komen in de ongerepte natuur. Hier is de verf of de klei van de schepping nog nat. In de door en door gerepte stad of op de dicht bevolkte boulevards daarentegen komt God niet zo goed uit de verf. Als hij al in de stad te vinden is, dan houdt hij zich schuil in karig bezochte musea. God is blijkbaar een beetje mensenschuw.

Ik zelf heb deze zomer volop genoten van geestverruimende vergezichten, van het ritme van de branding aan de kust en van het zilverachtige zingen van de wind in de kruinen van de populieren aan de rivier. Op religieuze gevoelens of ervaringen heb ik mezelf daarbij echter niet kunnen betrappen.  Ik zie niet in waarom het privilege van deze gemoedsaandoeningen ligt bij stille oorden. Natuurlijk: we ondergaan op deze plekken het verheven, sublieme karakter van de natuur. Het norse zwijgen en de stille onverzettelijkheid van de bergen maken een even diepe indruk als het eeuwige bewegen en zingen van de zee, de rivier en de wind. Maar of uitgerekend hierin God tot mijn ziel spreekt?

Het zal wel aan mij liggen. U zult zich misschien wél herkennen in degenen, die bij het uitkijkplatform boven op een berg een bordje ophangen met een psalmvers, waarin Gods schepping wordt geprezen – om maar iets te noemen. Ik zelf ben eerder onder de indruk van het vissersmonument op Urk, waar een plaquette met schrijnende nuchterheid en triomfantelijke bitterheid uit het bijbelboek Openbaring citeert: “En de zee is niet meer”. De bijbel gaat immers niet alleen over God als schepper van de kosmos, maar ook over het handgemeen tussen mens en natuur.

Overigens zijn de bijbelteksten-voor-wandelaars tegenwoordig grotendeels verdrongen door educatieve borden van biologen en aardrijkskundigen. Deze borden maken de natuurliefhebbers wegwijs in het landschap om hen heen en in de geschiedenis ervan. Het ontstaan van plooiingsgebergten en veengebieden worden haarfijn uit de doeken gedaan.  Ook dat is niet zo bevorderlijk voor de betoverende werking van het landschap. Het besef dat bergen, meren en heiden zijn ontstaan door een nogal slordig proces en een verkwistende aaneenrijging van toevalligheden, is nogal ontnuchterend. De evolutietheorie is er niets bij. Overigens is dat aan het rafelige profiel van een hooggebergte als de alpen nog steeds te zien, als je het mij vraagt.

Ik loof de schepper niettemin bijna elke dag – door het jaar misschien nog wel vaker dan tijdens de vakantie. Dat begint er al mee, dat ik bij het ontwaken het licht in mijn ogen begroet en dankbaar ben voor het feit, dat ik letterlijk weer een hand voor ogen kan zien. Het vertrouwde gevoel van vaste grond onder de voeten als ik opsta en de geur van brood en koffie maken deze dankbaarheid het af. Ik open de gordijnen en bekijk, door de takken van de bomen, de hemel: grijs, blauw of iets er tussen in. Ik zie op het balkon de bedrijvige mussen en op straat de mensen, op weg naar uiteenlopende doelen, met vastberaden tred of met de moed in hun schoenen, maar allemaal van zins er weer het beste van te maken.

“Goedemorgen, wereld”, zeg ik in mezelf bij wijze van psalm 19. En ik stel me dan voor, dat in dit alles een kunstenaar de hand heeft gehad. Dezelfde kunstenaar die ook de bergen en de zeeën heeft gemaakt. Hij is in mijn voorstelling echter een aleatorisch kunstenaar, die er genoegen in heeft geschapen om te improviseren en om daarbij veel aan het toeval over te laten. Geen architect of beeldhouwer, maar een jazzpianist.

Het resultaat is prachtig.

***

Het bovenstaande verscheen eerder als column op De Bezieling.

Leven we in een liminale tijd?

Met grote vanzelfsprekendheid zijn we de huidige pandemie een crisis gaan noemen. En dat is ze ook. Maar het woord crisis is ook een containerbegrip voor allerlei soorten van ontreddering. Het roept dan ook de vraag is, waarin nu precies het ‘kritische’ van de actuele situatie bestaat. Ik vermoed dat dit is gelegen in  de wereldwijde  ervaring van liminaliteit. Dit begrip – afkomstig uit de culturele antropologie en uitgevonden door Arnold van Gennep (1873-1957) – verwijst naar het niemandsland of de ‘niemandstijd’ waarin mensen verkeren als ze (letterlijk of figuurlijk) het vertrouwde land van herkomst hebben opgegeven, maar nog niet zijn aangekomen aan de overkant.

Dat niemandsland tijdens de oversteek kan bewust zijn georganiseerd of iets zijn wat ons overkomt. Het vindt bijvoorbeeld plaats tijdens een overgangsritueel of een initiatie. (In het onderzoek daarnaar is het begrip ook ontstaan.) Het overkomt echter ook velen (niet allen), die vanwege hun beroep of roeping bewust ervoor kiezen, om het eigen milieu te verlaten en zich bloot te stellen aan een andere leefwereld en cultuur: als wetenschapper of onderzoeker, als zendeling of missionaris, als hulpverlener of militair – of gewoon als avonturier of backpacker.

Kenmerkend aan de liminaliteit is het wegvallen van elk houvast en van elke grond onder de voeten, het verlies van alle mentale middelen om de weg te vinden in de realiteit en er greep op te krijgen*). Alle structuren vallen weg en er begint een fase van volstrekte stuur- en structuurloosheid. Moeizaam zwemt de persoon in kwestie door het kolkende water, tastend en spartelend op zoek naar de andere oever, om daar geleidelijk weer te leren lopen. ‘Inburgeren’ heet dat eufemistisch, in een bepaalde context.

Het voorbeeld van de missionaris spreekt boekdelen. Zij of hij vertrekt naar een ander werelddeel, in de verwachting de mensen aldaar vertrouwd te maken met datgene wat haar of hem allang vertrouwd is en waarop zij of hij haar of zijn vertrouwen stelt. Feitelijk gebeurt niet zelden het omgekeerde: de zendeling valt van haar of zijn geloof. Alles wordt onderuit en overhoop gehaald, waarop zij of hij bouwde. En pas moeizaam en geleidelijk ontstaat er een nieuw overzicht en uit de brokstukken een nieuw bouwwerk: op een vreemde, nieuwe wijze vertrouwd. Het is een dramatisch gebeuren en niet voor niets is de missionaris een geliefd personage in romans en films.

Als concept of metafoor is de liminaliteit ook toepasbaar op de ogenschijnlijk minder dramatische, maar niet minder ingrijpende mentale processen bij monniken, denkers en kunstenaars. Deze processen doen zich voor, als de laatstgenoemden in een ‘crisis’ terecht komen, doordat er zich iets aandient wat te groot is of te anders voor hun begrippen en routines, doordat hun methodische instrumentarium niet meer helpt om op dat grote en andere vat te krijgen. De drempelervaring – om liminaliteit zo letterlijk mogelijk te vertalen – is dan het moment van hun ‘wending’, het moment dat ze de ene ‘periode’ achter zich laten voor de andere. Vaak gaat het daarbij om een langere tussenfase, een woestijntijd, waarin het stil wordt rond de geestelijke, de wetenschapper of de artiest, totdat ze hun publiek verrassen met een volstrekt nieuwe aanpak. De monnik wordt een mysticus, de denker een meester en de kunstenaar een genie.

Maken we nu niet als mensheid een collectieve liminaliteitscrisis mee? Het lijkt er wel op, gezien de grote radeloosheid en onthandheid. En deze ervaring kan misschien ook vruchtbaar worden. Plat gezegd: we kunnen er wellicht van leren. We kunnen het failliet van oude vormen en gedachten gaan inzien. Of dat echt gebeurt, hangt uiteindelijk van onze instelling af. Niet van alle crisissen, eigenlijk van geen enkele, hebben we echter veel geleerd. En ik vrees eerlijk gezegd het ergste, als ik zie hoe wij – ik zonder me zelf niet uit – zo gretig staan te dringen en te trappelen voor de deur van de langzaam weer opengaande schijnnormaliteit, als shopverslaafden voor de uitverkoop**).

De crisis is geen ‘kans’, maar plaatst ons voor het blok. In het Duits heet dat zo mooi: ze brengt ons in ‘Zugzwang’. We zijn aan zet. Onze speelruimte daarbij is beperkt, maar verlamd hoeven we ons niet te voelen.

_______________________________________________

*) Het woord ‘ervaring’ is dan ook eigenlijk wat contradictoir in dit verband, omdat ervaring altijd veronderstelt dat er kaders zijn, waarbinnen de realiteit überhaupt ervaarbaar wordt en dat er een ik is dat deze realiteit ordent. Kenmerkend voor liminaliteit is nu juist, dat zelfs deze regie van een ervarend ik wegvalt. Er is eerder sprake van een volstrekte desoriëntatie, verlamming en verblinding.

**) Als ik dicht bij huis blijf (daar vind je immers altijd de beste voorbeelden), dat wil zeggen in mijn eigen kerkelijke leef- en werkwereld, zie ik dit laatste nu met plaatsvervangende schaamte gebeuren. Nu zal ik de laatste zijn om zalvend te beweren dat ‘de crisis een kans’ was, laat staan dat ‘God ons iets wil zeggen’. Maar het is wel een realiteit, dat we hardhandig naar een nulpunt zijn teruggebracht wat onze structuren en praktijken betreft. De steeds meer tot een schijnvertoning geworden eredienst is aan het eind van haar Latijn gekomen. En nu we de afgelopen maanden toch met de rug tegen de muur stonden, hadden we in elk geval van de nood – want een nood blijft het – een deugd kunnen maken. Het lijkt er echter op, dat we met zijn allen zijn terug gezwommen naar de oude oever. En dat we daar nu aan de afgoden van onze klerikale rituelen een dankoffer brengen voor de redding (voor zover daarvan sprake is).

Wat is waar? Een wankelend statement over de antiracistische bewegingen en acties

Demonstraties verbieden en indammen of toelaten? Standbeelden neerhalen van helden, die in de geschiedschrijving al van hun voetstuk waren gevallen, of niet? Mensen van de BDS-beweging (de beweging die Israël maximaal wil boycotten) op hun beurt boycotten, of niet? Welk life matters en welk in minder mate? Wie heeft er gelijk en wat is waarheid? Ik weet het soms echt niet. Misschien ook, omdat er geen Gelijk bestaat en er geen Waarheid is. Er zijn wel bepaalde dingen waar, denk ik.

Waar lijkt me, dat er in de (On-)Verenigde Staten van Amerika onveranderd een messcherpe scheidslijn loopt tussen zwart en wit, een kloof die de samenleving en de politiek meer dan ooit polariseert. Waar lijkt me verder, dat deze problematiek diepe wortels en vergaande gevolgen heeft, dat ze dieper en verder gaat dan culturele regelingen en politieke maatregelen kunnen gaan. Waar lijkt me, dat de scheidslijn diep is verankerd in het dagelijks leven (met andere woorden: ‘systemisch’ is) en dat ze dus niet van vandaag op morgen kan worden veranderd – hetgeen overigens een reden is, om daar vandaag al een begin mee te maken. Waar lijkt me ook, dat het gevaar van een nieuwe burgeroorlog (als die er niet al is) op termijn niet ondenkbaar is, zeker als de toenemende verharding niet stopt en zolang degene die daarin een cruciale rol kan vervullen, de president, iemand is die zichzelf niet in de hand heeft, laat staan zijn land.

Waar lijkt me, dat ook in Europe racisme zijn wortels en haarwortels diep in de poriën van de samenleving, de economie en de cultuur heeft vastgezet – zij het lang niet in die mate als in de USA – en dat we er nog lang niet zijn, alle ingezette middelen ten spijt. Waar lijkt me ook, dat een opeenstapeling van frustraties, vernederingen en teleurstellingen in het dagelijks leven bij zwarte mensen ertoe leidt, dat gebruiken en objecten (lees: Zwarte Piet en standbeelden) meer zijn dan kinderspel en grote-mensen-speelgoed. Waar lijkt me, dat er niet zoiets bestaat als ‘slechts symbolen’, dat symbolen daarentegen harde materie zijn. Waar lijkt me, dat schelden wel degelijk pijn doet.

Waar lijkt me, dat de geschiedenis geen gesloten boek is, dat collectieve herinneringen zo sterk kunnen zijn verweven met het eigen levensverhaal, dat ze tot een vorm van fantoompijn worden, dat er erfelijke trauma’s uit ontstaan – met het recht om als zodanig erkend te worden. Waar lijkt me ook, dat ik die fantoompijn niet kan wegredeneren. Ook lijkt me waar, dat het relativeren van gevoelde of ervaren vernedering in het dagelijks leven niet werkt – net zo min als ik bij iemand het gevoel van schaamte kan wegredeneren, als ik haar of hem in het sociale verkeer heb geschoffeerd of als ik me anderszins niet aan elementaire beleefdheidsregels heb gehouden. (Ik ga immers niet alleen over die regels en dus ook niet over de gevolgen van de overtreding ervan.)

Waar lijkt me verder, dat niet alles racisme en een belediging is en dat niet iedereen kan claimen, zwart te zijn en beledigd te worden. Waar lijkt me dat sommigen maar al te gretig in de slachtofferhuid kruipen.

Waar lijkt me ook, dat ik als witte man het recht heb, om te protesteren tegen racisme, ook als niet-slachtoffer. Waar lijkt me verder, dat er witte mannen zijn, die zelf het slachtoffer zijn van extreemrechts geweld en dat deze ervaring misschien ook solidariserend kan zijn. Waar lijkt me, dat ik weliswaar niet kan eisen, dat mijn solidariteit wordt aanvaard, maar dat ik wel het recht heb om het aanbod te doen.

Waar lijkt me, dat antiracisme onlosmakelijk verbonden moet zijn met een onvoorwaardelijke inzet tegen antisemitisme – en dat dit nogal eens ontbreekt. Waar lijkt me, dat het niet aangaat om als antiracist te zeggen ‘dat je niets hebt tegen Joden, maar…’ (en om dat dan BDS te noemen); waar lijkt me ook, dat het woord antizionisme vaak een erg doorzichtige dekmantel is voor subtiel antisemitisme. Waar lijkt me ook dat je, als je het bestaansrecht van Israël indirect en feitelijk ter discussie stelt, je er dan ook bij moet zeggen, waar het eeuwig vogelvrije Joodse volk dan naar toe moet? Waar lijkt me ook, dat er aan antiracistische acties soms ook mensen meedoen, die bij historisch of hedendaags geweld tegen andere volkeren wegkijken of die dit wegpraten, omdat hun Leider in Ankara dat zo wil. Waar lijkt me, dat dit gegeven het soms erg moeilijk maakt, om onkritisch te kijken naar deze acties en om er onbekommerd aan mee te doen.

Waar lijkt me overigens ook, dat we, zonder bij voorbaat alles met de mantel der liefde te bedekken, tolerant moeten zijn als we fouten maken. Waar lijkt me ook, dat het verlammend is, om elkaar meteen het woord te ontzeggen, als we nog zoeken naar de juiste formuleringen en ons daarbij soms wat ongelukkig of onwennig uitdrukken. Waar lijkt me ook, dat het nergens toe leidt als we elkaar voortdurend op de vingers tikken, in plaats van te proberen de handen inéén te slaan. Waar lijkt me vooral, dat het racisme de vijand is. En dat wij, slachtoffers en anderen, niet elkaars vijanden zijn, maar samen de vijanden van dit racisme.

Waar lijkt me tenslotte, dat je kunt discussiëren over het bovenstaande wankelende statement. Waar lijkt me, dat er dan ook moet worden gediscussieerd – en niet worden gehoond of weggekeken.

Proberen een speld te horen vallen

De samenleving is op dit moment een trein die stilstaat in een open landschap. Iemand heeft getrokken aan de noodrem en we staan sinds geruime tijd te midden van weilanden, waar herkauwende koeien ons verbaasd aankijken. Eerst waren we verbaasd, daarna gelaten, maar geleidelijk worden we prikkelbaar. De gevoelstemperatuur loopt op. Dat de conducteurs steeds nieuwe instructies geven, de ene nog strenger dan de andere, maakt de sfeer er niet beter op.

De samenleving staat stil. Scholen, bedrijven en instellingen sluiten zoveel mogelijk de deuren. Contacten worden tot het minimale beperkt. Werk, vermaak en gezelligheid gaan met hindernissen gepaard – om van het historisch ongehoorde verbod op kerkdiensten maar te zwijgen. Ook de culturele sector wordt heftig geraakt. Zelf woon ik in een streek met een weelderig aanbod op het gebied van kunst en cultuur: musea voor hedendaagse kunst, veelal gevestigd in monumenten van industrieel erfgoed; grotere en kleinere podia, concertzalen en theaters, zowel voor de mainstream als voor zonderlinge niches; innovatieve of tradities koesterende festivals; meerdere orkesten en operahuizen. Overal hangt het bordje met ‘gesloten’ aan de voordeur.

Alles is afgelast. Gelukkig echter leven we in de tijd van de media. Acteurs en musici ‘streamen’ zichzelf dat het een lieve lust is. En als de digitale netwerken straks door hun hoeven zakken, hebben we hopelijk nog elektriciteit en kunnen we CDs, DVDs en grammofoonplaten draaien. En de dagen worden langer, zodat we in elk geval nog romans kunnen lezen en kunstboeken doorbladeren. Laten we dus maar in de huiskamer ons Beethoven- of Hölderlin-jubileum vieren. Of met huisgenoten samen musiceren of verhalen vertellen. Wie of wat belet ons dat?

Helemaal bevredigt me deze ‘oplossing’ niet. Al staan er bijvoorbeeld op mijn CDs topuitvoeringen van klassieke werken: ik kan en wil niet helemaal zonder live-uitvoeringen, ook als ze van mindere kwaliteit zijn. En hoe fraai de fotoreproducties in mijn kunstboeken en hoe scherp de beelden van de museumwebsites ook zijn: ik mis het museum. Ik mis het geroezemoes en gekuch, het respectvolle fluisteren en zwijgen, het ruisen van het toneeldoek, het schuifelen en schrijden door gangen en zalen, het horen vallen van een speld. Ik mis de ingehouden adem, het publiek dat zich als de God van de Kabbala terugtrekt in zichzelf om ruimte te maken voor het scheppingsproces dat zich voor zijn oren en ogen gaat voltrekken. Dat is allemaal toch iets anders dan het hap-slik-weg draaien van CD’s.

Maar dat laatste is natuurlijk niet het enige alternatief. Er zijn nu mensen die hun restaurantbezoek missen en daarvoor in de plaats thuis een gastronomische sfeer creëren, met alle rituelen die daarbij horen. Misschien moet ik iets vergelijkbaars doen, als ik een boek ter hand neem of een CD in de speler leg. Het zaallicht in mijn hoofd dimmen, mijn drukdoenerige denken het zwijgen opleggen, mijn adem inhouden. En pas dan op ‘play’ drukken.

Het ook is een goede oefening voor het leven. Je adem inhouden en proberen een speld te horen vallen: het helpt ons misschien, om wat minder hijgerig en paniekerig te reageren als ons dingen overkomen. En om sluipende processen, die geruisloos op microniveau beginnen maar ons op macroniveau overweldigen, eerder op te merken. Misschien niet op tijd, om ze te voorkomen, maar wel zoveel eerder als nodig is, om er goed op te reageren.

***

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

De crisis is geen kans om te grijpen maar een gelegenheid om na te denken

De corona-crisis is, zoals het woord zegt, een crisis. Niet meer en niet minder. Er staan zaken op het spel en er bestaan reële gevaren: voor de volksgezondheid en ieders individuele gezondheid, voor de maatschappelijke samenhang en de economie, voor de instituties in de zorg, het onderwijs, de wetenschap en de cultuur – en voor de kerken. Met man en macht wordt gewerkt om het schip tussen de klippen door te loodsen. De crisis is geen ‘kans’ of ‘uitdaging’, zoals er her en der in modieus en quasi-spiritueel managementboekjargon wordt verkondigd. Daarvoor is de situatie te ernstig. Een epidemie is geen sportevenement.

Het spreken over ‘kansen’ is helaas echter ook in kerkelijke kringen aan de orde van de dag. Vooral vooruitstrevende, creatieve en innovatieve zielen in de katholieke kerk  zien plotseling mogelijkheden. Op zich is dit begrijpelijk. De laatste decennia is er immers veel gesproken over en gewerkt aan alternatieven voor de sleets geraakte, klerikale organisatievormen en liturgische praktijken. Pogingen om open te discussiëren en vrijelijk te experimenten zijn echter stelselmatig gefrustreerd. Geen wonder dus, dat de vernieuwingsgezinden de gevolgen van de crisis als bevrijdend ervaren. Veranderingen worden nu afgedwongen. Nu mag niet alleen, maar moet zelfs worden geïmproviseerd. De eredienst is opeens niet meer gebonden aan een gebouw en een (mannelijke) beroepsgroep.

Het is echter maar de vraag, of het van smaak en tact getuigt, om de huidige crisis als een ‘blessing in disguise’  te zien.  Lijden en risico’s worden hiermee ge-instrumentaliseerd. De kansenretoriek heeft daardoor een cynische bijklank. De progressieven verlenen zichzelf en hun zaak bovendien een slechte dienst. Uit nood of wanhoop geboren zelfkritiek en creativiteit kunnen nooit tot een duurzame hervorming leiden. Die komt er alleen, als er fundamenteel wordt nagedacht en inhoudelijk wordt gedebatteerd. Het feit dat mensen niet meer naar de kerk kunnen gaan, vervangt niet de broodnodige theologische doordenking van wat wenselijk, noodzakelijk en heilzaam is. Dat we het gesprek daarover bij uitstek nu kunnen en moeten voeren,  staat voor mij als een paal boven water, maar niet omdat we misschien ‘eindelijk gelijk krijgen’,  maar omdat we even niets anders te doen hebben. We hebben nu tijd voor reflectie – een reflectie die we, uit ontmoediging of onder het gemakzuchtige  mom van praktijkgerichtheid, jarenlang hebben laten liggen en hebben overgelaten aan een handvol specialisten.

Binnen de kansenretoriek wordt op één punt overigens echt een grens overschreden. Er zijn vertolkers van deze logica, die lyrisch zijn over de door de situatie opgelegde ‘liturgie aan de keukentafel’.  Euforisch verkondigen zij, dat we weer terug zijn in de tijd van de eerste christenen en hun ‘huiskerken’.   Als we echter menen, dat we kunnen leven als de ‘eerste christenen’ (die overigens als vriendengroepen bij elkaar kwamen en niet als eensgezinswoninggezinnen), is dat in het gunstigste geval een kinderlijke vorm van bijbeltje-naspelen, maar ten diepste een hachelijke illusie. We kunnen immers geen reis in de tijd maken en er is zeker geen continue lijn te trekken van het Nieuwe Testament naar het heden. We kunnen niet net doen alsof er geen tweeduizend jaar kerkgeschiedenis en wereldgeschiedenis zijn verstreken, die ‘ons christenen’ onze onschuld hebben doen verliezen.  En in onze windstreken –  met de onbetwiste invloed, vrijheid en welvaart van de kerken – is het ook nogal hoogmoedig, om ons op één lijn te plaatsen met de generaties, die de naam van christen met bloed hebben moeten betalen.

We leven in een ongehoorde tijd. De pandemie is een onversneden crisis, ook voor de kerken.  Zolang we die echter benoemen als ‘kans’ , is dat een teken, dat de ernst van de situatie niet echt tot ons is doorgedrongen. Dit sluit niet uit, dat we wel degelijk kunnen reageren op de crisis. We zullen wel moeten. Maar wat we moeten doen, is niet het ‘grijpen van een kans’, maar het nemen van onze verantwoordelijkheid, voor onszelf en voor anderen, voor de korte en voor de lange termijn. We moeten er het beste van maken. Dat vraagt wendbaarheid, durf, intellectuele inspanning en offerbereidheid. En als achteraf blijkt, dat we er ook iets nieuws van hebben kunnen leren: dan is dat mooi meegenomen. Maar dat zien we later dan wel.

De wereld als Praethuys

De wereld is een praathuis. Dat was altijd al zo en dat zal altijd zo blijven. Alle jammerklachten over onze praatzieke cultuur en over de devaluatie van woord ten spijt, is het eerlijk om vast te stellen dat de praatdwang een aangeboren ziekte van het mensdom is. Deze kwaal springt vandaag de dag wellicht wat meer in het oog, doordat dankzij de digitale revolutie het aantal communicatiemiddelen explosief is toegenomen. Maar het is de eeuwige behoefte aan mededeelzaamheid die hier de middelen schept – en niet omgekeerd.

Door de digitale revolutie is het wel gemakkelijker geworden, om een podium te vinden, om de wereld toe te spreken. Praten komt immers meestal daarop neer: niet op dialoog, doch op monoloog, niet op het gesprek, maar op de toe-spraak. Deze monoloog nu is geen luxe meer van geletterde briefschrijvers, zoals tot ver in de 20e eeuw het geval was, of van de happy few die de massamedia in het analoge tijdperk als spreekbuis konden gebruiken. Nee: voor iedereen is er in het Hyde-Park van de social media  wel een zeepkist ter beschikking. Dat we daarbij meestal aan elkaars dovemans oren voorbij praten, is een ander hoofdstuk.

De drempel om onszelf mede te delen is dus lager geworden. We zijn echter al met al geen grotere kletskousen dan de generaties voor ons. Wat wel is veranderd, is de kwaliteit van het gesprek. Er vindt geen selectie plaats, zodat de oprispingen van Jan en alleman lukraak worden uitgezonden. We lijken daardoor gemiddeld minder zoetgevooisd en welgemanierd. We werken bovendien op elkaars zenuwen, doordat we wedijveren om de prijs voor de sneuste pechvogel en het meelijwekkendste slachtoffer.

Van het lezen van narcisten als Paulus, Augustinus, Proust en Mann konden we tenminste nog genieten. Ze waren brokkenpiloten in het leven, maar kampioenen van het woord, kneuzen van adel. Posthuum leggen ze het echter alsnog af tegen de banaliteit van het Theater van het Zelf.