Zuinig met idealen en zuinig op idealen

Ik ben geboren aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Toen ik de leeftijd bereikte waarop het bij een jongen begint te dagen in zijn hoofd en te borrelen in zijn onderbuik, braken de sombere jaren tachtig aan. De utopieën werden aan de straat gezet tussen de wiebelende rotan meubeltjes, mitsgaders de kledingzakken vol hemden en colberts met van die veel te brede revers. Ik vond ze wel charmant, die vergezichten, en rommelde er in – op zoek naar wat bruikbaars. Ik werd niet van de weeromstuit rechts, zoals veel leeftijdsgenoten, maar selectief links.

Ze waren wel verbleekt, futloos en grijsgedraaid, die toekomstdromen – en soms in opspraak geraakt. Een jaloezie vatte post bij mij op de generatie die getuige was geweest van de dageraad van de utopieën en die in de gloed van het ochtendgloren had gebouwd aan Het Nieuwe. Jaloezie op hen die de idealen nog zagen van hun frisse, onbedorven kant en nog niet van de sleetse en bedenkelijke zijde. Sindsdien koester ik een paradoxale vorm van nostalgie. Ik kan nog altijd genieten van teksten en beelden uit die ‘doorbraaktijd’, waarin De Betere Wereld nog ongerept was en waarin het patina van voortschrijdend historisch inzicht zich nog niet over het visioen had uitgebreid (ongeveer zoals ik ook kan genieten van vooroorlogse moderne architectuur).

Als katholiek theoloog vervullen mij vooral de beelden en verhalen over het Tweede Vaticaanse Concilie met weemoed. Het is nu vijftig jaar geleden dat deze revolutie in de katholieke kerk begon. Symposia en andere soms wat plichtmatige samenkomsten worden momenteel aan dit jubileum gewijd. Historici openen bij deze gelegenheid het familiefotoalbum, voorzichtig erop toeziend dat de fotohoekjes niet loslaten en de polaroidfoto’s eruit vallen. (Zo kwetsbaar is herinnering aan iets dierbaars immers.) Toen ik in 1982  theologie ging studeren waren de golven reeds lang tot bedaren gekomen. En sindsdien is de kerk – die in 1962 onder leiding van paus Joannes nog de ramen openzette – zelfs geworden tot een oud, achterdochtig vrouwtje dat zich in zijn appartement opsluit voor de boze buitenwereld.

(Als de kerk tegenwoordig al naar buiten treedt, is het soms eerder als een courtisane op leeftijd, die zich opdirkt en parfumeert voor haar esthetiserende bewonderaars. Deze laten zich op hun beurt – bedwelmd door wierook, verblind door geblikker en getemd door haar barse stem als zij zijn – maar al te graag door haar vernederen. Ja, ik weet het: de kerk is meer dan haar gezagsdragers. ‘Wij zijn zelf de kerk.’ Maar die uitspraak klinkt inmiddels eerder als een wanhopige bezwering. Een boek over de afgelopen vijftig jaar zou mijns inziens ‘vijftig tinten grijs’ moeten heten – ware die titel niet reeds vergeven. Maar dit allemaal terzijde.)

Ook maatschappelijk idealisme ziet mijn generatie vooral van de treurige kant. Ik werd in de jaren tachtig actief lid van de PSP en belegde afdelingsvergaderingen tijdens de welke  het bestuur vergeefs ging zitten wachten op de leden om zich vervolgens moed in te drinken in een uitgestorven links café. Het decor van de afgetakelde mijnstad Heerlen zorgde voor de nodige sfeer. De partij verzamelde uiteindelijk haar restjes idealisme en investeerde die in een fusie die  – zoals veel fusies dat zijn – vooral een facelift was om de teloorgang te verdoezelen. Het resultaat was een strakker vel met minder inhoud en zonder overtuigingskracht. Dat wreekt zich nu alsnog.

Zoals gezegd: deze ervaringen hebben bij mij geleid tot de paradox van een terugverlangen naar het onbeschreven blad van de toekomst. Een en ander heeft mij ook opgezadeld met het onvermogen tot enthousiasme. Ik ben zelfs wat argwanend ten opzichte van mensen in wier ogen de lichtjes branden van hoop en idealisme. Vaak ervaar ik dat als een hectische opflakkering van tanende levensenergie en als dweperigheid. De ermee gepaard gaande heldenverering kan ik al helemaal niet delen. Bij Obama kwam ik vier jaar geleden niet verder dan de verzuchting: ‘Wat een spreker is die man!’ – de titel van één van de weinige liedjes uit de jaren zeventig die ik me kan herinneren.

Ik ben dus zuinig met idealen. Maar ik ben er ook zuinig óp. Alle nostalgie en scepsis ten spijt ben ik ook behept met een al even paradoxale behoudzucht. De idealen zijn getemperd, niet getemd. Ik ben ironisch en behoedzaam, maar niet cynisch. Ik sta van harte aan de kant van hen die zich niet hebben laten wegmanipuleren door het kerkelijke en maatschappelijke neoconservatisme. Ik werd blij van de verkiezingsuitslag van 12 september; als ik Amerikaan was zou ik op Obama stemmen en ik ben in mijn nopjes met die Nobelprijs voor de Europese Unie. En ik zal samen met anderen onvermoeibaar de ramen blijven openzetten van de kerk en de theologie, als anderen die uit smetvrees telkens weer potdicht doen.

Ik heb zoals gezegd geen talent voor heldenverering. Ik heb wel mijn identificatiefiguren. De ambivalente persoonlijkheid van Thomas Mann hoort daarbij: Mann die op zijn manier ook inzat over het feit dat hij was geboren aan de verkeerde kant van de geschiedenis. Vooral is hij voor mij de man die geleidelijk ontdekte dat een mens niet uit zelfbeklag bij deze ervaring mag blijven staan. Op een beslissend moment van zijn leven ging Mann dan ook de hardnekkige optimist Walt Whitman lezen.

En Whitman zei het goed: ‘Dit ogenblik, dat mij na triljoenen eerdere bereikt: er is niets beters dan dit en nu. (…) De weg ligt voor ons! Hij is veilig – ik probeerde hem uit – mijn eigen voeten probeerden hem duchtig uit – treuzel niet langer!’

Geef een reactie