Werken

Het viel me dit jaar voor het eerst op. Het was voor mij een nieuw woord: ‘hemelvaartweekend’.  Ik moest er even over nadenken. Dat Pasen en Pinksteren, door het feit dat ze op zondag vallen en doordat ‘s Rijks overheid er, bij wijze van een beleefde seculiere buiging voor het religieuze feest, een vrije maandag aan heeft toegevoegd – dat deze christelijke feesten dus het hele weekend, de zaterdag incluis, omdopen tot het paas- respectievelijk het pinksterweekend: die gedachte kan ik nog volgen. Aan het idee dat een verplicht-vrije christelijke donderdag, via een vrijwillige snippervrijdag aan de zaterdag gekoppeld, het hele weekend in zijn ban trekt: aan dat denkbeeld moet ik nog even wennen.

Bij nader inzien is het uiteraard logisch. Wie maakt er, dankbaar gebruik makend van die vrije donderdag, niet graag een ‘lang weekend’ van? En als we dat lange weekend dan te danken hebben aan de gedachtenis van ’s Heren Hemelvaart: allez, dan noemen we het toch ‘Hemelvaartsweekend’? Ere wie ere toekomt.

Ik hoorde inmiddels ook al het woord ‘hemelvaartvakantie’. Waarom niet? Je moet al die vakanties die werkend Nederland rijk is toch namen geven, om ze überhaupt nog uit elkaar te kunnen houden. Het zijn er nogal wat. We werken immers allemaal heel hard – voor zover we geluk hebben om een baan te hebben. Daarom verdienen we die vakanties dubbel en dwars.

Dat doen we paradoxaal genoeg vooral – dat harde werken – om onze ‘workload’ maar op tijd weggewerkt te krijgen vóór de eerstvolgende vakantie en om met een ‘schoon bureau’ en een ‘opgeruimd gevoel’ aan de zoveelste tussendoorvakantie te kunnen beginnen. Deze aandrang wordt nog opgedreven door collega’s in ons netwerk, die ons opjagen omdat ze vóór hun vakantie de zaken geregeld willen hebben.

Waar we ook van moeten bijkomen in onze kerst-, crocus-, paas-, koninginnedag-, bevrijdingsdag-, hemelvaart-, pinkster-, zomer- en herfstvakantie: dat zijn al die ontmoedigende en frustrerende out-of-office-berichten van onze netwerkcollega’s, die reeds enkele dagen voordat onze vakantie begint de hunne konden laten ingaan, omdat hun overuren moesten worden gecompenseerd. (Geef hun eens ongelijk.) En dan is er ook nog eens dat leeftijdsgebonden verlof, dat de babyboomers met een geuzenmengsel van trots en gekwetstheid ‘oudelullenuren’ noemen. Ook die uren moeten op. (Ze verzilveren voor de werkgelegenheid van jongeren is blijkbaar nog niet zo’n serieuze optie.) Het gevolg is dat werkend Nederland voor de helft continu onbereikbaar is.

Kortom: de vakantie is voor ons ons, eeuwig-kind-blijvende westerlingen, het nieuwe idool dat ons enerzijds tot ijver aanzet en ons anderzijds met zichzelf beloont voor die ijver. Als het vakantiecircus geen tredmolen is: een paradoxale mallemolen is het wel.

Maar goed. Daar wilde ik het niet over hebben. Ik wilde u een smakelijk verhaal vertellen over de reis die ik maakte op Hemelvaart. Dat zou echter toch maar tegenvallen. Hoewel het hoogfeest van Hemelvaart alleen al door zijn naam een associatief ingestelde ziel kan verleiden tot hemelbestormende avonturen en verre reizen, kwam ik dit jaar niet verder dan een uitstapje naar Tilburg. Ik geef toe, dat ik jaloers was op degenen die een reis hadden geboekt naar een mediterrane cultuurstad of een ruig Waddeneiland. Misschien ligt deze nijd ten grondslag aan de verongelijkte ondertoon in het voorafgaande.

Maar wat u op uw beurt niet heeft meegemaakt, is een bezoek aan het atelier van mijn schoonbroer de bronsgieter. (Hopelijk ontgaat de verstopte alliteratie u niet.) Niko de Wit (zo heet hij) maakt verbazingwekkende werken, die even kloek zijn als speels. Het ontstaansproces van zijn objecten is een zaak van noeste mentale en lichamelijke arbeid – vanaf de dialoog met de opdrachtgever tot en met het afwerken van de ruige bronzen huid. Tegelijk is het een weg waarop het lot mag spelen met de ideeën, concepten en ontwerpen van de artiest. Soms zet bijvoorbeeld iemand bij toeval een nagenoeg voltooid kunstwerk van De Wit letterlijk op zijn kop. Daardoor ontstaat er een verrassend nieuw perspectief, waarop de kunstenaar dan voortborduurt.

Zo werkt Niko de Wit. Wat betreft inzet en energie werkt hij toegewijd, geconcentreerd en ijverig, gedreven en gedrild door een ouderwets, ongrachtengordeliaans arbeidsethos. Wat betreft creativiteit is hij één en al overgave aan de grillen van de muzen. Die combinatie van hard werken en vervoering mag ik wel bij een kunstenaar. Het zijn de echte, dat soort kunstenaars. En een voorbeeld voor de Werkende Mens tout court.

Ach, het zijn mijn woorden. En het zijn – als woorden – bleke schimmen naast de overweldigend-vertederende realiteit van De Wits werk. Kijkt u zelf maar even op www.nikodewit.nl.

Geef een reactie