We zijn ons eigen zwarte gat.

Als in de populaire media over wetenschap wordt gesproken, lijkt het alsof mensen vooral zijn geïnteresseerd in disciplines over de meest excentrieke gebieden van ons bestaan. Zelden gaat het over de bosmier in de Peel of het functioneren van de galblaas (afgezien van gezondheidsprogramma’s, maar dat is een ander genre). Het publiek zit echter op het puntje van zijn stoel als het gaat over het heelal of de menselijke hersenen. In de populaire theologie valt overigens iets vergelijkbaars op. Lezers verslinden gretig boeken over het begin (de schepping) en het einde (het zogenaamde ‘leven na de dood’). Wat God en mensen in de tussentijd doen, is aan hen niet zo besteed.

De belangstelling voor de neurowetenschap, die menige hersendokter tot BN-er heeft gemaakt, heeft overigens een merkwaardig kantje. Er valt mij in dit verband in toenemende mate een bepaald woordgebruik op. In dit woordgebruik worden de hersenen – of ook wel ‘het brein’ – opgevoerd als subject van uitspraken, bijvoorbeeld in de veel gebezigde formule ‘De hersenen denken dat … ‘ En dat woordgebruik gaat er op één of andere manier bij mij niet in. De vergelijkbare uitspraak dat ‘mijn benen een wandeling maken’ of ‘mijn ogen bekijken een film’ zouden we lachwekkend vinden. Toch komt de uitspraak dat ‘de hersenen iets denken’ op hetzelfde neer. Ze weerspreekt onze fundamentele intuïtie, dat ‘ik’ het ben die loopt, kijkt en dus ook denkt etc. Uiteraard doen we dat allemaal niet als onlichamelijke wezens. Daarom kun je wel zeggen: ‘Ik kijk met behulp van of dankzij mijn ogen’ en dus ook: ‘Ik denk met behulp van mijn hersenen’. Maar dat is iets anders dan die ogen zelf te laten kijken of die hersenen zelf te laten denken.

Het punt is, dat er achter of in de uitspraak, dat ‘de hersenen denken’, een verborgen subject zit, een subject dat door de onhandige formulering aan het oog wordt onttrokken. Het zijn altijd íemands hersenen – jóuw hersenen, míjn hersenen – waarover we iets beweren. In de bewering is altijd dat ‘iemand’ geïmpliceerd als het verborgen, eigenlijke subject. Het duidelijkst is dit, als er een bezittelijk voornaamwoord wordt gehanteerd: ‘Mijn hersenen denken…’ Deze formulering roept onmiddellijk de vraag op, wie dan dat ‘ik’ is, dat de hersenen in een bewustzijnsakt op zichzelf betrekt – en dus blijkbaar degene is die denkt. Als je daarop antwoordt, dat dit de hersenen zelf zijn, kom je in een cirkel terecht, want de vraag ‘wiens hersenen dan?’ kan dan opnieuw worden gesteld enzovoorts. De hersenen kunnen dus nooit samenvallen met het ‘iemand’ dat de hersenen op zichzelf betrekt en dat dus het eigenlijke subject van de bewering over de hersenen is.

Blijkbaar moeten we accepteren dat bewustzijnsakten als denken, handelen, beslissen etc. voortkomen uit een bron, die zich voortdurend aan ons onttrekt als we ernaar graven: het ik. Het menselijk subject kunnen we niet ‘verdingelijken’ of vastpinnen door het te vereenzelvigen met het biologische vehikel ervan. Het is een raadsel, dat ons als zodanig blijkbaar dwars zit. Het populair-wetenschappelijke gepraat over de hersenen als subject slaat dit geheim echter ten onrechte plat, zoals we een schoenendoos platslaan, die hinderlijk in de weg staat.

Nu kan het bovenstaande de verdenking oproepen, dat ik als theoloog vecht tegen levensbeschouwelijk materialisme en terug zou willen naar het geloof in de onsterfelijke ziel. Niets is minder het geval. Ook en juist de vulgaire opvatting van de ziel, die in het lichaam ‘huist’ als de chauffeur in een auto – een opvatting die heerst in de volksreligiositeit of in de zogenaamde nieuwe spiritualiteit – begaat de fout om het menselijk subject te ‘verdingelijken’. Ook in het praten over de ziel kan ik immers niet om de oneindige dynamiek heen, die wordt ontketend door de vraag over wiens ziel we dan spreken.

Het is menselijk om zaken te willen begrijpen, ook de raadsels van denken, bewustzijn, handelen, kiezen. Begrijpen doen we echter niet door op een willekeurig punt op te houden met nadenken en dan te denken dat we er zijn. Als we de hersens (of de ‘ziel’, wat dat ook moge zijn) in kaart hebben gebracht, begrijpen we nog niet wat het betekent dat wij denken etc. En misschien lukt ons dat wel nooit. We zijn ons eigen zwarte gat.

Geef een reactie