Verlichting

Naar aanleiding van het boek van Lipovetsky en Serroy, waarop Bas Heijne de lezers van de NRC tipte in november, heb ik een stukje geschreven voor De Bezieling. Ik vraag me daarin af, wat de theologische relevantie is van dit boek, dat een welwillende maar haarscherpe analyse geeft van onze op zintuiglijkheid gerichte cultuur.

Juist in de ‘maand van de spiritualiteit’ zijn deze bespiegelingen m.i. relevant. Want is spiritualiteit niet bij uitstek de ‘smaakmaker’ of ‘smaakversterker’ van het geloof, een marketing-vehikel om van religieuze aanhankelijkheid een ‘spekkie naar ons bekkie’ te maken? Kortom: is de zingevingsmarkt niet grootaandeelhouder van het ‘zinnelijke kapitalisme’ dat Lipovetsky en Serroy beschrijven?

U voelt al aan dat ik aan de relatief neutrale en onthechte beschrijving van de twee Franse cultuur-watchers een kritische pointe geef en in mijn beoordeling nog ambivalenter ben dan de auteurs.

Wat ik echter als lichtpunt van hun beschrijving overneem, is de waarneming van zelfspot en ironie als stijlmiddel van de laatkapitalistische consument. Daaraan ontbreekt het in zingevingscontreien helaas nogal eens aan. Ironie is m.i. echter de tweelingzus van het geloof.

Dit zeg ik zonder daarmee te kort te willen doen aan de noodzaak van ernst en zwaartekracht. Terecht stelde Gerhard Hormann afgelopen zaterdag in De Volkskrant de ‘light’ versie van het leven aan de kaak. (En een vriendelijke twitteraar wees mij op een iets ouder stuk in de New York Times van Christy Wampole, dat in de zelfde richting ging.)

Ik ben het in grote lijnen met de critici eens. Ironie dient bevrijdend te zijn – niet vrijblijvend. Zelfspot dient ons te verlichten – en dient er niet toe om ons tot lichtgewichten te maken.

Maar de bevrijding door de ironie is waardevol genoeg, om haar serieus te nemen.

Geef een reactie