Van traptreden naar hellend vlak? Over zogenaamde hoge en lage cultuur

In de cultuurgeschiedenis is de tweedeling tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur een rode draad. Aan de ene kant stond bijvoorbeeld altijd de complexe en doorwrochte letterkunde of de muziek, bedoeld voor de geletterde fijnproevers en rijk bedeelden in hun salons of zalen. Aan de andere kant was er de parallelle wereld van de orale, geïmproviseerde vertelkunst en muziek, met als podium de straat of andere ontmoetingsplaatsen van het volk. In de 20e eeuw is deze tegenstelling op de spits gedreven. Dit had een specifieke oorzaak, namelijk het feit dat door de moderne techniek en media kunstuitingen oneindig reproduceerbaar werden – zoals Walter Benjamin (1892-1940) heeft beschreven.

Dit was voor de ‘hoge cultuur’ uiteraard een zegen. Via de radio en de platenindustrie verliet de klassieke muziek de concertzaal. Door goedkope druktechnieken vond de wereldliteratuur de weg naar de massa. Door diezelfde techniek was het genot van beroemde schilderijen niet meer voorbehouden aan degenen die zich konden veroorloven om te reizen of kunst aan te schaffen. Tegelijk echter moest de zogenaamde ‘hoge cultuur’ nu direct de concurrentie aangaan met de massacultuur, waarvoor de nieuwe media evenzeer een ideaal voertuig waren. De muur viel weg tussen de parallelle werelden. Dat zette kunstminnaars er toe aan, via de massamedia een verheffingsoffensief in te zetten. De ‘hoge’ kunst moest onder de mensen worden gebracht. Het was echter een ongelijke strijd. Met de concurrentie kwam de commercialisering. Wat de klant vroeg werd gedraaid.

Daar kwam nog iets bij. De vermenigvuldigingstechniek maakte nieuwe vormen van kunst mogelijk – zoals het beeldverhaal, de in de studio gemixte en opgenomen muziek, de film, het bewegend beeld en mengvormen van één en ander, zoals de videoclip. Deze ontwikkeling gaat nog steeds door en komt door de digitalisering weer in een nieuwe fase. De genoemde kunstvormen zijn geboren in en dankzij de massamediacultuur – en zijn daardoor uit hun aard eendimensionaal en commercieel. Ze zijn beter aangepast aan de moderne cultuur en daardoor vitaler. Het ingeblikte beeld en geluid lijken het einde van het geschreven boek in te luiden en de concertzalen worden nog slechter bezocht dan kerken.

De Platonische tegenstelling blijkt echter niet vol te houden. De verhouding tussen ‘hoog’ en ‘laag’ is bij nader inzien complexer. Zo wordt binnen de officiële kunst menige strijd geleverd tussen een moeilijk toegankelijke avant-garde enerzijds en kunstenaars die benaderbaar zijn anderzijds, tussen abstract en figuratief, tussen atonaal en tonaal, tussen raadselachtig en begrijpelijk, tussen conceptueel en beeldend etc. En om het nog ingewikkelder te maken zijn er popmusici en -liefhebbers die vanuit de ivoren toren van meer artistieke rockmuziek neerkijken op de commerciële allemansmuziek.

Het is misschien aan die verwarring te danken, dat velen de strijd opgeven tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur. Dat begon al in de jaren zestig. Het zet nu meer dan ooit door. Uitvoerders van klassieke muziek zoeken contact met popmusici en maken zogenaamde ‘crossovers’. Cultuurprogramma’s op TV stimuleren museumbezoek en het lezen van boeken. Fado- en jazzliefhebbers ontdekken de Schlager en het Jordaanlied als de blues van de gewone man. De grenzen vervagen of worden in elk geval gretig overschreden. De traptreden worden een hellend vlak…

Is het toeval dat ik de laatste jaren iets vergelijkbaars zie gebeuren op de markt van zingeving en religie? Theologische en pastorale vernieuwers hebben het Volk Gods vanaf het midden van de 20e eeuw proberen te verheffen en te verfijnen. De volksreligiositeit werd afgedaan als primitief. Toch is ze als onderstroom springlevend gebleven. Zij wordt sinds kort weer volop serieus genomen door godgeleerden en zielzorgers. Vooral onder de nieuwe gedaante van de esoterie wordt zij meer en meer salonfähig. Dat de religie niet meer onderhevig is aan het alleenvertoningsrecht van instituten met hun ‘elites’ draagt hier zeker aan bij. Net als de cultuur is religie, dankzij het onbegrensde netwerk van de media, het eigendom geworden van iedereen. Zij is democratisch geworden of liever ‘demo-praktisch’: mensen brengen religie op hun manier en ongehinderd in praktijk. Daardoor vervallen grensindelingen en indelingen in hoog en laag. Of je dat nu leuk vindt, of niet.

Ik bijvoorbeeld vind dat niet leuk. Maar gelukkig ga ik er ook niet over.

***

De bovenstaande column verscheen eerder op De Bezieling.

Geef een reactie