De troost van realiteitszin

Ik ben wel eens jaloers op mensen die het Israëlisch-Palestijnse conflict zo goed doorgronden, dat ze in luttele woorden de schuldige kunnen aanwijzen en bij elke raketinslag binnen een minuut partij kunnen kiezen. Dat is handig als je twittert. Zo benijd ik ook mensen die nog niets hebben gelezen van Louise Fresco en nog steeds verantwoord consumeren, er rotsvast in gelovend dat ze daarmee de levensduur van de aarde verlengen. En helemaal zou ik af en toe graag in het vel zitten van al die blijmoedige mensen die dwepen met Covey en Tiggelaar: mensen wier levenshouding één grote stralende glimlach is en die uitgrijnzen dat ze slechts een steenworp zijn verwijderd van het Geluk.

Aartstwijfelaar die ik ben, heb ik soms het gevoel dat ik als een uitgeprocedeerde asielzoeker rondloop in een Paradijs van Zekerheden, in een soort opgewekte hippiekolonie waarin iedereen elkaar gelukzalig, zelfgenoegzaam en liefdevol aankijkt. In dit paradijs ben ik slechts een gast, die hooguit kan rekenen op mededogen omdat hij ‘nog niet zo ver is’ en nog niet is ingewijd in het zeker-weten.

Tot heil van mijn ontroostbare ziel ontdekte ik afgelopen jaar een boekje van Ludwig Marcuse: ‘Das Märchen von der Sicherheit’. Marcuse (1894-1971) beschrijft op melancholische toon, hoe wij onszelf in slaap wiegen met de illusie van onze religieuze, politieke en wetenschappelijke ‘zekerheden’. We verhullen onze naaktheid en eenzaamheid ermee. Ze dienen ons tot loopgraven, van waaruit we ons verdedigen tegen alles wat ons onderuit wil halen in onze mentale overlevingsstrijd. Nee: zekerheid is bij nader inzien niet iets om jaloers op te zijn. Je gunt niemand om in sprookjes te geloven.

Met zijn ‘zekerheden’ doelt Marcuse overigens niet slechts op de in het oog springende sektarische dogma’s of dweperige waandenkbeelden. Zekerheden zijn wijd verbreid en hebben juist iets heel vanzelfsprekends; ze zaten al in onze Brinta en zitten in de lucht die we inademen sinds onze eerste ademtocht. Ik ga dus evenmin vrijuit: ook ik ben ermee behept. Vergeet u dus even het narcistische zelfbeklag in de intro. Ik hoopte vergeefs te kunnen schuilen in de aura van de authenticiteit, in de zekerheid van de zelfstilering. (Dank aan Marcuse voor deze genadeloze introspectie.)

Zekerheden gaan bovendien – zegt Marcuse – gehuld in een respectabel kleed van traditie, politieke correctheid en wetenschappelijkheid. Daarbij worden ze voorzien van het gezag van de intellectuelen: de priesters van deze tijd. Geen wonder dat de barbaren – zo zegt Marcuse in een hachelijke passage van zijn boekje – deze intellectuelen af en toe de wacht aanzeggen, hoezeer ze zelf ook ongelijk hebben. Het ressentiment van de horden weet de achilleshiel van de intellectuelen immers goed te vinden: hun neiging om de werkelijkheid mooier te maken dan zij is. Daardoor dragen de intellectuelen bij aan de institutionalisering van de leugen.

Na dit dilettantistische portret van Marcuse zou u kunnen gaan denken dat hij een sceptisch, ja zelfs nihilistisch schrijver is die – blasé geworden door alles wat hij heeft meegemaakt – bij elke discussie verzucht: ‘Wat is waarheid?’ Of dat hij zo’n discussiemijdende New-Age-er is die zich steevast van de dooddoener bedient dat ‘iedereen zijn eigen waarheid heeft’. U zou ten slotte ook kunnen gaan denken dat Marcuse zich pessimistisch en gemakzuchtig terugtrok in een Schopenauerachtige schulp.

Alleen al zijn strijdbare levensgeschiedenis logenstraft deze perceptie. Marcuse was een potentieel Nazislachtoffer en zijn denkbeelden waren ook en vooral polemisch gericht tegen de nazidictatuur. Maar afgezien daarvan: Marcuse trekt haarscherp de streep tussen waarheid en leugen. Op Nietzscheaanse wijze is hij gedreven om de realiteit onder ogen te zien – en dan precies de realiteit van de zwakte en naaktheid die ons voortdurend krampachtig doen grijpen naar schijnzekerheden.

En Marcuse is zéker niet pessimistisch en lui. Hij koestert de ouderwetse hartstocht voor een pedagogisch en emancipatorisch ideaal. Hij wil de lezer helpen om het aangeboren kleed van zekerheden, zwart-wit-denken en zelfgenoegzaamheid af te leggen. Hij daagt ons uit tot de volwassen moed om onszelf onder ogen te zien in onze naaktheid en complexiteit, in onze zwakte en zelftegenspraken. Hij roept op tot de durf om het dwingende labyrint van schijnzekerheden te verlaten, waarin maar één weg naar het doel leidt (het labyrint is niet voor niets een geliefd motief in het dwangdenken van de esoterie), en om te gaan dwalen.

Ook heroïsche zelfstilering helpt niet tegen de onzekerheid, zoals ik zijdelings al toegaf. Marcuse pleit voor de moed om onaf te worden. Dat is een troostrijk troosteloze gedachte. En – voeg ik als theoloog eraan toe – als er Iemand bestaat, die ons ooit wil afmaken: Soit. Ik ga daar niet over. Niemand trouwens.

Geef een reactie