Taal is geen uitdrukkingsmiddel doch een permanente indruk van buitenaf.

 

 

 

 

“Ik leefde in betovering, gekerkerd in een lichaam

en in de deemoed van een ziel.

Ik leerde de wake en de slaap en de droom kennen,

de onwetendheid, het vlees,

de logge labyrinten van de rede,

de vriendschap tussen mensen,

de raadselachtige liefde van de hond.

Ik zag met eigen ogen wat ik nooit eerder zag:

de nacht en al zijn sterren.”

 

J.L. Borges, Johannes 1,14

 ***

 Toen we in de kerk onlangs zo’n kleurrijk bijbels lied zongen, werd het aangekondigd op een nadrukkelijk verontschuldigende toon. De zure appel werd aangereikt door een bezorgd ogende mevrouw die ons op ons gemak stelde: “Het is misschien nogal ongewone en vreemde taal, maar laten we het maar proberen!” Na enkele ferme orgelakkoorden schalde de menigte het uit. Als de stugge woorden al zeer hadden gedaan, dan blijkbaar toch maar heel even. De omzichtigheid bleek achteraf overbodig te zijn geweest. Toch wordt deze geruststellende en bagatelliserende aanpak vaak gezien als de kern van een ‘pastorale’ benadering – alsof de zielzorger een soort uitvaartbegeleider of kinderarts is. De weerspannige taal van de bijbel wordt schroomvallig aan de man gebracht: alsof de blijde boodschap een oneervol voorstel is.

Wat is er echter zo vreemd aan het feit dat bijbelse taal zo vervreemdend is? Is de taal in het algemeen – en de literaire en de bijbelse taal in het bijzonder – niet juist bedoeld om ons uit ons doen te brengen en om onze gewoontes en aanwensels te ontwrichten? Is taal niet van nature datgene wat ons boven onszelf verheft en buiten ons zelf brengt? In die zin is taal als zodanig ‘metafoor’: datgene wat ons wegvoert. Al bij het aanleren van de eerste woordjes leert een peuter de werkelijkheid ruimer te zien en leert een kind dat de wereld meer is dan een grote couveuse waar alles draait op hemzelf. Het leert dat er anderen zijn (‘mama’, ‘papa’) met hun eigen aanspraken. Het leert dat er ‘mijn en dijn’ is en dat er soms ook ‘nee’ gezegd wordt door het leven. Je zou kunnen zeggen dat de geboorte van de taal samenvalt met het ontstaan van realiteitszin en het ontwaken van het geweten.

Nu wordt taal onvermijdelijk routineus en brengt ze ons op den duur in een sluimertoestand van vanzelfsprekendheden. Daarom is er de vreemde taal van literatuur, wijsbegeerte en geloof. Zij opent nieuwe werelden en nieuwe zienswijzen, nieuwe houdingen en handelwijzen. Ik zie en benader de wereld bijvoorbeeld anders, zodra ze aan mij wordt voorgesteld als schepping. Ik zie en benader de ander anders, zodra zij aan mij wordt voorgesteld als kind Gods, zuster of broeder. Het gaat daarbij niet om waarheid, laat staan letterlijke waarheid. De taal doet hier een voorstel om op een bepaalde manier te kijken. Ze oppert ziens- en handelwijzen. Ze nodigt uit tot gedachte-experimenten. Dit geldt ook voor het christelijke dogma: het is een uitnodiging tot een virtueel avontuur. De incarnatie is bijvoorbeeld een dergelijk gedachte-experiment. God wordt mens; het Woord wordt vlees: een avontuurlijke fantasie is het. Je kunt het je natuurlijk plat, rechtlijnig en simpel voorstellen – zoals in een vulgair gnosticisme tot op heden gebeurt. Daar heeft de theologische traditie echter een stokje voor gestoken. Dat stokje is de Drievuldigheid: een gedachte-experiment binnen een gedachte-experiment. Daardoor zijn we gedwongen steeds weer opnieuw te fantaseren over die menswording en voorkomen we een simpele voorstelling van zaken.

Ook dichters houden het gedachte-experiment in leven. Zoals J.L. Borges, die in het aangehaalde gedicht laat zien waartoe de fantasie ons leidt als we ons verplaatsen in het Woord dat vlees wordt. Dan komen we de voorstelling op het spoor dat God pas door mens te worden de menselijke realiteit op waarde leert schatten. Pas door de menswording krijgt de werkelijkheid relevantie en reliëf voor God. Pas door mens te worden leert God het korrelige van onze realiteit kennen… maar ook zoiets overweldigends als het uitspansel! Borges brengt ons zo op het spoor van een mooie paradox. Pas door klein te worden, leer je kleinheid zowel als grootheid zien en waarderen. Dat geldt ook voor die grote lummel van een God – althans in het gedachte-experiment van Borges.

Deze column verscheen eerder op De Bezieling.

Geef een reactie