Stuurlui aan de wal

Je hoeft je niet te vervelen als ‘zinprof’, zoals mijn beroep geloof ik tegenwoordig heet. Als je het even niet weet, meld je je gewoon aan voor een symposium. Daarvan is er elke week wel één, ergens in het land. Het is goed voor je netwerk, je steekt weer eens wat op en je spaart op de stookkosten thuis. En als het goed is pik je weer eens een broodje met Rucola, rare kaas en zongedroogde tomaten mee. Deze week had ik er twee. Symposia dan (geen broodjes). Eén over ontwikkelingssamenwerking en één over de zorg. Dus deze week twee onderwerpen. U mag eruit kiezen of ze allebei lezen.

Ontwikkelingssamenwerking doet er toe

Vanochtend was ik in Den Bosch, bij een ‘inspiratiebijeenkomst’ van Mensen met een Missie, een kleine katholieke NGO. Deze brengt kleine gemeenschappen op krachten en versterkt het sociale weefsel in wat nu nog de Derde Wereld is. Daardoor breken mensen door de muren van persbreidel en corruptie heen, doorbreken kansarme jongeren de vicieuze cirkel waarin zij zitten gevangen en nemen vrouwen het heft in eigen handen. Om maar een paar voorbeelden te noemen. (Vooruit, naar www.mensenmeteenmissie.nl!)

Agnes van Ardenne (jawel, de voormalige minister) liet zien hoe diep de betrokkenheid bij de Derde Wereld is geworteld in onze traditie en cultuur – en hoe groot nog steeds de betrokkenheid is van ons Nederlanders bij ontwikkelingssamenwerking. Dat werd levendig bewezen door het ervaringsverhaal van een jonge uitgezondene, die jonge mensen in Kameroen ondersteunt, om hun lot en dat van hun gemeenschap te verbeteren. En een oude broeder vertelde hoe hij al meer dan vijftig jaar de locale landbouw en voedselproductie een duwtje geeft in dat zelfde land. Ontwikkelingssamenwerking doet er toe, zo bleek maar weer eens. Maar daarvoor moet je wel de finesses kunnen zien, zei Van Ardenne: iets wat sommige stuurlui in Den Haag lijkt te ontgaan.

Zorgethiek als stuurvrouw aan wal

Eerder van de week was ik gast bij een symposium over Franciscaanse spiritualiteit in zorg en bestuur. Jawel, we zijn nog niet door onze heiligen heen. Benedictus doet het goed als managementgoeroe: waarom Franciscus niet ook eens laten Covey-en? – dachten de organisatoren. Het kwam aardig uit de verf – al vind ik het soms ook wat gekunsteld, zo’n ‘vertaling’ van de religieuze traditie. Soit.

Op het symposium werd ook gesproken over zorgethiek. Wat dat nu weer is? Zorgethiek is het antwoord op de vragen en moeilijkheden, die de mondige zorgontvanger oplevert voor de zorg. Want een patiënt met kapsones en praatjes: dat moeten we natuurlijk niet hebben. Dat zadelt ons maar op met dilemma’s en denkwerk. De zorgethiek biedt dan uitkomst en wijst de mondigerd er fijntjes op dat autonomie niet het alfa en omega is. We zijn ‘ingebed’ in relaties en gemeenschappen. We zijn geen zelfstandige individuen, maar ‘relationele wezens’, op elkaar aangewezen. Ja, met deze wolligheid kun je natuurlijk alle dilemma’s in slaap wiegen.

Maar is de autonomie dan niet doorgeschoten? Ik zie dat soms ook wel, maar niet als trend. Ik denk dan aan mijn ouders die drie en vier jaar geleden overleden. Zij knikten nog altijd braaf tegen de Dokter, tegen wie ze ‘u’ zeiden terwijl hij hen tutoyeerde. Mijn moeder durfde zelfs geen radio aan te zetten bij het sterfbed van mijn vader, die een groot muziekliefhebber was. Uit angst voor de Verpleegster. Hoezo doorgeschoten autonomie? Meestal zijn het trouwens goed gebekte mensen die het over dat  ‘doorschieten’  hebben.

Gelukkig zijn er auteurs als Frits de Lange, die de retoriek en de romantiek van de zalige afhankelijkheid ontmaskeren. Autonomie zien zij weliswaar niet als axioma van de zorg, maar wel als perspectief. (Zoals zij dat ook is voor de ontwikkelingssamenwerking. Zo hangt alles weer met alles samen.) Van De Langes voortreffelijke boekje over dit onderwerp verscheen overigens onlangs een recensie van mijn hand in Zin in Zorg (zie de knop ‘publicaties’). Die maakt een en ander hopelijk nog wat duidelijker.

Goed, zorgethiek is niet helemaal mijn kopje thee, merkt u al. Maar de spreekster op het symposium zei ook wel behartigenswaardige dingen, die ik dan ook gretig behartigde. Zoals: luister door de woorden heen, luister naar datgene wat mensen niet durven of kunnen zeggen. (Prima, zolang het geen buiksprekerij wordt.)

Gaandeweg kwam zo ook de ‘presentiebenadering’ ter sprake: wees nabij en laat het verhaal van zorgontvangers naar boven komen. Mooi gezegd. Jammer alleen dat die ‘presentie’ en dat ‘verhaal van de ander’ dan meteen weer moraliserend worden uitgespeeld tegen de zorgverleners. Die gaan volgens mij altijd met schuldgevoelens weg bij dit soort symposia. Ze doen het niet gauw goed in de ogen van de presentiebenaderaars, die een berispend toontje aanslaan.

De zorgverlener roeit veelal eenzaam rond op de wilde golven van de zorgpraktijk: tussen de klippen van enerzijds het management en anderzijds de presentiebenaderende zorgethica; vanaf de wal aangemoedigd door de ‘aanstuurder’  en de geleerde mevrouw, die allebei zo goed weten hoe de zorgverleners het eigenlijk moeten zien. (Geen wonder dat die laatsten dan niet opgewassen zijn tegen die ook nog eens mondiger wordende patiënt.)

Op zo’n symposium zitten de zorgenden meestal op de achterste rij, hun gefnuikte eigenheid te verbijten en hun eigen verhaal in te slikken. Jammer. Want die mensen doen het toch maar. En wij theologen kunnen het maar niet laten om mensen te infantiliseren, linksom of rechtsom. O Bonhoeffer…

Geef een reactie